DE SCHOOLMEESTER, KOSTER EN ORGANIST

deel 1. de koster schoolmeester 1598-1749

“Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering”, lezen we nu in de grondwet. In vorige eeuwen was dat anders. Toen ontbeerde het onderwijs de leerplichtwetten en de verder beschermende onderwijswetten. ‘Schoolmeester spelen’ was een taak, die in Nuth aan de koster, later aan de geestelijk koster, de kapelaan was toegedacht. De leermethode werd aan het vernuft van de koster-schoolmeester zelf overgelaten. De kinderen liepen vrijwillig school en dan nog sporadisch , meestal in de wintertijd.

Het schoolhuis was van de parochie en de aanstelling van de leerkracht geschiedde ook in samenwerking met de pastoor. In het kostershuis was een kamer waarin de parochieschool gevestigd was. Het onderwijsbeleid berustte dus bij de gebiedende heer van Nuth met zijn schepenbank en de gemeentenaren in samenwerking met de pastoor.

Het kostershuis annex school naast de kerk

School werd gegeven in het kostershuis of schoolhuis, later in 1714 uitgebreid of veranderd tot kapelanie. Deze kosterij stond op het oude kerkhof naast de ingang van de parochiekerk. In 1932 is de oude kapelanie, vroeger kostershuis en school, verdwenen. Dit schoolhuis was reeds in onbruik sinds 1852. In dat jaar bouwde het gemeentebestuur een eigen school met onderwijzerswoning, thans sinds 1894 in gebruik als gemeentehuis. Sindsdien is ook de combinatie koster-schoolmeester verdwenen.

Na 1749 werd het ambt van koster-schoolmeester waargenomen door de kapelaan ook wel primissarius, vroegmisheer of geestelijke  koster  genoemd. Kapelaan Petrus Beaujean, geboortig van Bunde, was tussen de jaren 1811 en 1834 de laatste geestelijke die te Nuth als schoolmeester fungeerde.

Omtrent de taak en de rechten en plichten van de koster-schoolmeester is gelukkig nog het een en ander opgetekend en bewaard gebleven. Zo zien we in een “Extract uyt het Register der Custer renten van Nuth” dd. 1598 enige inkomstenbronnen van de koster opgesomd:

1.        Ten eerste heeft de koster voor zijn arbeid voor de kerk tot zijn gebruik het kerkhof met de bomen en toebehoren; van dit alles heeft hij het ongestoord bezit

2.        Ook ontvangt hij nog ieder jaar van elk huis dat een stookplaats heeft (“alwaer roock opgaet”) twee normale broden, n.l. een met Kerstmis en een met Pasen. Van de ontvangst daarvan is de koster op de gewone wijze in het ongestoord bezit.

3.        Verder heeft de koster jaarlijks in de oogst recht op de zogenaamde luid- of klokgerf van ieder persoon wonende binnen de parochie wanneer deze in de parochie zoveel land bezit, dat daarop een zg. tiendgerf valt.

 

Het oudste bekende register van de Kerkfabriek (parochie) van Nuth dateert van 29 mei 1598. Daarin staan twee slotartikelen verdere rechten en plichten van de koster-schoolmeester opgetekend:

1.        “Item so hefft der custer jaers half so veele van alle rechten als der pastor, dwelck vallen op kinder doop, houwelick, begreffenis, begenckenis etc. en is de custer in vreedzaam bezit daarvan.

2.        “Item hiertegen so is der custer gehouden ende schuldich sijnen opgleghden dienst der keercken hofflick ende vlijtich te volbringen, also dat niemants dar over hebbe te  clagen, mit oock gehouden goede Catholische schoel voer die kinder damit sie moegen leeren Godt vreesen, dienen, wijsz ende verstandigh worden”.


Schoolklas vlgs. Ferdinand de Braekeleer

Voor het schoolhouden ontving hij van de kinderen maandelijks schoolgeld. Voor het onderwijzen der armen, die kostenloos onderwijs genoten, werd hem vanwege de kerk en de gemeente een kleine tegemoetkoming toegekend. Het onderhoud van de school was voor de gemeente. Dit blijkt uit de kerk visitaties van 1667 en 1669, gehouden door de Roermondse Vicaris Generaal van Oeveren, die hiervoor optekende: de koster wordt benoemd door de heer pastoor en zijn naam is Henricus Schepers; zijn huis ligt op het Kerkhof. De herstelling van dat huis is ten laste van de gemeente ; een school is niet gesticht, maar wordt gehouden door de koster van de schoolgelden der kinderen.

Op de 23e  juni 1720 onder Pastoor van Lijen, vond men het gewenst om de “Conditiën waerop den Custer van alhier sal gehouden sijn sijne bedieninghe te doen” nader te omlijnen en in een resolutie vast te leggen:

1.        Vooreerst zal hij het kosterambt trouw moeten bedienen zowel binnen als buiten de kerk, overal naar goedvinden van de heer pastoor, zoals dat behoort. Hij is niet alleen verplicht de heer pastoor te dienen maar ook de heer kapelaan en andere priesters die hier inde parochie komen dienst te doen.

2.        Hij zal steeds moeten resideren in het kosterhuis alhier en dit ten tijde van zijn bediening moeten onderhouden en repareren.

3.        De koster is verplicht een goede school te houden en daarmede door te gaan zolang zich kinderen daarvoor zullen presenteren. Hij zal met vaderlijke toewijding en zachtmoedigheid de kinderen onderwijzen, zowel in de christelijke leer als hen ook leren lezen en schrijven in het “vlaems” en andere “spraecken” en verder zal hij de kinderen de “cijferkunst” moeten bijbrengen en voorts hen onderrichten in alles wat tot een goede school behoort. Dit zal hij met dezelfde zorg moeten doen voor de armen van de parochie als voor de anderen voor het salaris, dat men alhier van ouds gewoon is te geven voor zulke instructie.

4.        De aangestelde koster moet zijn functie in eigen persoon uitoefenen, maar het is hem toegestaan zich voor het een en ander te laten bijstaan door een bekwaam assistent tot betere dienst en gerief van de kerk en van de school en wel op die wijze, dat hij ook zal kunnen voldoen aan zijn andere plichten waartoe hij uit andere hoofde verplicht zal zijn.

5.        Op Sint Jansavond (23 juni) zal hij gehouden zijn, volgens oude gewoonte elk jaar de sleutels met de bediening te seponeren op de manier zoals vanouds gebeurd is. Indien hij de zo juist genoemde conditie weigert te volbrengen en wanneer de kosterij niet goed bediend zou worden, zal men alsdan vrij staan een andere koster aan te stellen.

6.        Het kerkhof zal eenmaal opgemaakt worden. Daarna zal de koster gehouden zijn het kerkhof te houden in de staat waarin hij het aantreft. Elk jaar moet hij daarop planten twee kersebomen, esse- of eikeplanten.

7.        Verder heeft hij alles te doen waartoe een goede koster en schoolmeester gehouden is.

 

Deze instructie werd Joannes Pricken, als bedienaar van de kosterij alhier in het jaar 1741 noodlottig. Tijdens de gebruikelijke algemene jaarvergadering op de vooravond van St. Jan (23 juni)  waarin de gebiedende Heer van Nuth, Baron van Eynatten van Reijmerbeek, met zijn schepenen en gemeentenaren en met de pastoor bijeen waren, werd Pricken als koster-schoolmeester ontslagen, wegens zijn al te slechte oppassingen van de school en ook wegens andere grove tekortkomingen.

Uit compassie voor zijn vrouw werd, daarna door tussenkomst van de baron en anderen, met toestemming van de vergadering, bepaald dat hij voorlopig tot nadere beslissing het gewone kosterbrood mocht gaan collecteren en nog gedurende negen maanden de andere  “accidentalia” vervallende in de kerk kon blijven genieten. Maar de rest, het kosterhuis, kerkhof, koolhof alsmede de tiendgerven en de kleine pachten (“smaelpacht”) moesten gelaten worden aan de tijdelijke primissarius (kapelaan) die de parochie bediende. Met deze  gracieuze toezegging was Pricken toen zeer content.

Maar in 1747, na de dood van de primissarius, de eerw. heer Sijstermans, werd Pricken wederom ondankbaar voor de hem verleende gunslen. Hij ging toen eigenmachtig en in strijd met de gemaakte condities de tiendgerven van Vaesrade, gedeeltelijk Hellebroek, enige in Nuth en elders ophalen voor zichzelf. Iets dergelijks haalde hij uit in 1748 toen hij de tiendgerven van Hellebroek voor zichzelf liet uitdorsen, ofschoon deze veldvruchten toekwamen aan de eerw. heer Willems, als aangestelde bedienaar van de vroegmis. Deze was daardoor zeer gedupeerd in zijn winterprovisie.

Nog veel erger was hij fout in het schoolhouden. Omdat het kosterhuis in de winter van 1748 leeg stond, was hem aangeboden de school daarin tot zijn gerief te gebruiken; maar neen dat accepteerde hij niet. Liever ging hij schoolhouden in een herberg om aldus de kinderen van “jongsafaen te leren hetgeen hij langh gecost ende geploogen heeft”.

De kosterswoning op het kerkhof (tek P. Jansen)

Dit strekte niet alleen tot minachting van de gemeente maar ook van de pastoor. Men was zonder twijfel van oordeel, dat zulke plaats voor de jonkheid de minst geschikte gelegenheid was voor het houden van school en voor onderrichting in de christelijke leer. Deze gang van zaken was de baron en de vergaderde gemeentenaren te gortig. Zij wilden voor de toekomst verzekerd zijn van een goede koster-schoolmeester, waarbij tevens gedacht werd aan een gelijktijdige bedienaar van de vroegmis, de school en de catechismusles.

Men vond dit drie voorname dingen in een gemeente als Nuth. En om nu van deze drie essentiële punten voor de toekomst secuur verzekerd te zijn, besloot men over te gaan tot de aanstelling van een geestelijke koster ten dienste en tot gerief van de groten en tot onderwijzing en instructie van de kleinen en bovendien tot nut en profijt van de gehele gemeente. Deze geestelijke koster zou dan alle inkomsten en rechten trekken die voorheen aan de kosterij vast zaten en met inachtneming van de voorwaarden, zoals deze in de “Conditiën van 1720” waren vastgesteld. Aldus besloot de algemene vergadering op 8 januari 1749.

Bij de uitvoering van een dergelijk verstrekkend voorstel vreesde de pastoor misschien, dat de wereldlijke bestuurders van Nuth te zeer gingen grasduinen op kerkelijk terrein. Hij nam koster Pricken in bescherming tegen de baron en zijn notabelen door inschakeling van de overige parochianen zelfs “die van Vaesrade” wilde hij daarbij niet voorbijgaan, die ook het kosterbrood en de kostergerf gaven.

De baron met zijn schepenen en meest geërfden van de parochie kwamen hiertegen in verzet. Het bleef klachten regenen tegen de handhaving van koster Pricken, ondanks de mededeling van de pastoor, dat hij geen klachten had over de koster.

Op de gewone jaarlijkse algemene vergadering aan de vooravond van St. Jan Baptist (23 juni 1749) moest Pricken, zoals van oudsher gebruikelijk, de sleutels van de kerk presenteren, ten einde van de vergadering te vernemen of hij al dan niet zijn functie kon blijven uitoefenen. Op verzoek van de heer pastoor was de vergadering belegd op het kerkhof om deze kosterbenoeming te regelen. Natuurlijk op de hoogte van de klachten, welke tegen koster Pricken bestonden, vroeg hij wie iets tegen de handhaving van Pricken had in te brengen. Op verzoek van de gemeentesecretaris Bavo Meijs ging men toen in het schoolhuis, op het kerkhof gelegen, verder discussiëren.

Pastoor Wolters en koster Pricken gingen mee. De ingebrachte schriftelijke bezwaren werden ter vergadering in het bijzijn der parochianen voorgelezen. De pastoor hoorde de klachten aan en vroeg daarna: “Wat zijn jullie van plan met deze arme man te doen?.  Wilt gij hem bedelen jagen ?”. Het pleidooi van de pastoor kon de koster niet redden. De vergadering wilde niet dat de hele gemeente schade ondervond ter wille van één man, die grovelijk te kort schoot in de uitoefening van zijn functies. Men had in de gemeente de zoon van Peter Corten uit Hellebroek, een priesterstudent (theologant), die zeker capabel was om koster te spelen. Deze sollicitant kon op het moment wel nog niet voldoen aan de drie essentiële eisen, gesteld in de vergadering van de gemeentenaren d.d. 8 januari 1749, n.l. koster, schoolmeester en kapelaan of vroegmisheer, maar dat kon voorlopig opgelost worden. Zijn vader zou iemand zoeken die tot aan de priesterwijding van zijn zoon de vroegmis zou lezen in de parochiekerk van Nuth.

Er werd tenslotte water bij de wijn gedaan en de vergadering kwam tot een compromis. De sleutels der waardigheid verbonden aan het kosterambt kreeg Peter Corten voor zijn zoon, waarmede aan deze het kosterambt werd toevertrouwd. Onder bepaalde voorwaarden wilde men het nog eens aanzien met koster Pricken en mocht deze nog voor één jaar koster blijven, terwijl kapelaan J. Willems nog negen maanden de vroegmis zou blijven doen totdat de zoon van Peter Corten de priesterwijding had ontvangen.

Koster Pricken nam in de loop van de hem toegemeten tijd de kans waar om zijn functie voor de komende herbenoeming veilig te stellen. Hij ging daarvoor in 1750 handtekeningen of “kruusken” verzamelen bij de parochianen langs de huizen. Hij moest aanhang zien te krijgen, want binnenkort op 23 juni 1750 zou opnieuw de gebruikelijke deponering van de sleutels gaan plaats vinden in het schoolhuis.

De pastoor zat ook niet stil en trachtte de herbenoeming van Pricken te beïnvloeden door een kennelijk daarop afgestemde afkondiging vanaf de preekstoel op zondag 21 juni 1750: “Vermits dat aenstaende dinsdaegh St. Jansavond is ende dat den custer volgens oude gewoonte de sleutels van de kercke olsdan presenteren moet, soo versoecke ick, dat de naebers op dien dagh gelieven nerstigh naer de kercke te coomen en oock die van Vaesrade, die aen den custer gerff en broot soo wel geven als die van Nuth en derhalven supponeren dat sie soo wel daer in te seggen hebben als die van Nuth en ick sal alsdan ene speciale misse doen, opdat de naebers eendragteliik souden sijn”.

Uit een getuigenakte welke notaris L'Allemand over deze omstreden kosterbenoeming heeft opgemaakt blijkt verder, dat een groot aantal parochianen op de aangewezen dag en uur naar de H. Mis waren gekomen. Schijnbaar waren “die van Vaesrade en Hellebroek” goed vertegenwoordigd, zelfs met zware stokken gewapend. Terstond na de H. Mis werd de klok geluid en verzamelden zich de parochianen op het kerkhof in twee partijen, waarschijnlijk de vóór- en tegenstemmers. De schepen G. Limpens deed aan de pastoor het verzoek om nog even te wachten op de baron, die nog niet aanwezig was. “De mis is uit, dag en uur is aangebroken”, was het antwoord van de pastoor en Leonard Creuwen van Vaesrade viel hem bij: Ja, pastoor, maeckt nu maer  veurwarts".

 

De baron van Reijmersbeek, die dus als gebiedende heer van Nuth niet bij deze benoeming aanwezig was geweest, wilde daar meer van weten en hoe het precies gegaan was. Daarvoor riep hij op 23 juli daarna de heren J. B. Meijs, P. Hautvast, L. Limpens, J. Spijckers en A. Waltmans, allemaal parochianen en notabelen van Nuth als de voornaamste geërfden bijeen. En zij deden hem verhaal van het hiervoren vermelde relaas, dat in de notariële akte nog veel uitvoeriger is vastgelegd.

Op bevel van hogerhand (De Hoge Raad van Brabant) moesten op 28 juni 1751 ook de inwoners van Vaesrade als behorende tot de parochie van Nuth ter vergadering worden opgeroepen om te beslissen of zij hun aanspraken wilden verdedigen om samen met de bewoners van Nuth een koster-schoolmeester aan te stellen te Nuth. Deze vergadering schijnt tot resultaat te hebben gehad, dat alleen de bewoners van Nuth een Reglement hebben opgesteld, bevattende 34 artikelen op het punt van school-, kerk- en armwezen.

Schijnbaar hadden de bewoners van Vaesrade destijds niet heel veel behoefte aan een schoolmeester te Nuth, tenzij de pastoor “die van Vaesrade” nodig had om de doorslag te geven bij de kosterbenoeming te Nuth. Zij beschikten immers van 1714 tot 1853 over eerbiedwaardige kluizenaars of eremieten in de kluis naast het oude kapelletje waar thans de pastorie staat sinds 1857.

De oude kapel van Vaesrade

De kluizenaars moesten te Vaesrade school houden en catechismusles geven aan de jonkheid. Dit gebeurde wel niet altijd even stipt door de heren eremieten. Tijdens het voogdgeding (openbare rechtszitting) van 7 januari 1726 te Vaesrade werd de kluizenaar Willem Thielen door de gemeenteontvanger (borgemeester) van Vaesrade aangeklaagd, omdat hij reeds enige jaren tijdens de wintertijd had verzuimd school ,te geven tot groot nadeel van de dorpsjeugd, die zodoende te veel achter bleef in kennis.

De schepenbank of rechtbank van Vaesrade riep de kluizenaar in de volgende vergadering ter verantwoording, maar deze kwam niet en verdedigde zich met een door hemzelf geschreven en ondertekende brief. Daarin klaagde hij, dat de schoolgelden niet betaald werden. De schepenbank nam daar geen genoegen mee en verplichtte hem op straffe van zes goud gulden om voortaan geregeld school te houden. Wat de betaling van de schoolgelden betrof stond het hem vrij zich hiervoor van tijd tot tijd te laten betalen.


 

Deel 2: de kapelaan koster-schoolmeester 1750-1818

Terugkerende tot Nuth zien wij, dat ook daar op 23 juni 1757 de kwestie inkomsten van de geestelijke koster-schoolmeester aan de orde was. In de vergadering van die dag onder voorzitterschap van schout Dullens bekrachtigde en bevestigde pastoor Wolters van Nuth nog eens in handen van de secretaris Bavo Meijs, al hetgeen in de jaarlijkse algemene vergadering van 8 januari 1749 betreffende de functie en de verdere inkomsten van de geestelijke koster was toegezegd.


1752  uit het reglement van de koster en schoolmeester benoeming

Op 19 november 1759 werd door de algemene vergadering een keus gedaan uit een voordracht van twee sollicitanten voor het ambt van geestelijke koster. Het waren de eerw. heren Brandts en Solders. De vergadering besloot unaniem de eerw. heer Franciscus Brandts aan te stellen, want de heer Solders had aan enige gemeentenaren te verstaan gegeven, dat hij aan het punt van zielzorg niet wenste te voldoen.

 

Gelukkig was deze keuze niet. Door langdurige ziekte was kapelaan Brandts niet in staat zijn opgelegde functie te verrichten zoals het behoorde. Ook op het punt van de zielzorg bleef hij in gebreke en de geestelijke kosterij werd verwaarloosd. In de vergadering van 23 juni 1760 werd hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij vanaf die dag tot aan de aanstaande kerstmis moest biecht horen en de pastoor voor zoveel nodig assisteren. Hij zou dan daarvoor de normale emolumenten die aan het primissariaat vastzaten kunnen genieten. Kort daarop heeft hij ontslag genomen.

In de algemene vergadering van 30 oktober 1760, welke “bij openbare kerkenroep” en door aankondiging behoorlijk werd “geconvoceerd”, werd de eerw. heer Franciscus Pijls uit Amstenrade tot geestelijke koster aangesteld. Deze is gebleven tot 23 juni 1772. In zijn plaats kwam daarna de eerw. heer Johannes Petrus Horstmans, geboren te Nuth, op dat moment diaken in het seminarie te Roermond. Over deze aanstelling ontstonden moeilijkheden.

Diaken Horstmans wilde niet voldoen aan verschillende punten van het Reglement van 1720 terzake de zielzorg. Men stond er op, dat het reglement zou worden nageleefd door de heer Horstmans. Pastoor Scherpenseel wilde weten of het burgerlijk bestuur de kosterij -had te vergeven, dan wel het kerkbestuur, omdat aan het geestelijk kosterambt min of meer de functie van primissarius of onderpastoor was vastgekoppeld. De pastoor wilde dit primissariaat gescheiden zien van de geestelijke kosterij. Hij richtte hierover een request op 23 juni 1775 aan de vergaderde schepenbank en gemeentenaren.

De vergadering beriep zich op het reglement van 1720 waarin de taken van de geestelijke koster, die gelijktijdig primissarius moest zijn, waren omschreven. Men kwam niet uit de impasse en vroeg terstond advies aan twee canonieke rechtsgeleerden, de heren M.W. Limpens en C. Banens uit Maastricht. Reeds op 6 juli daarna was een uitvoerig advies uitgebracht op gezegeld papier van tien stuiver.

De twee rechtsgeleerden hadden zowel het request van de pastoor bestudeerd als ook de zienswijze, daarop uitgebracht door de vergadering der gemeentenaren. Verder namen ze inzage van nog andere stukken. Uit dit alles was hen gebleken, dat de geestelijke kosterij stond ter vergeving van de gemeentenaren en dat deze ook het recht hadden de geestelijke koster jaarlijks te handhaven of een nieuwe aan te stellen. Zij grepen daarvoor terug op de benoemingen van Brandts, Pijls en Horstmans. Deze benoemingen waren toch ook geschied door dezelfde vergadering. In 1760 was immers de geestelijke kosterij opgedragen aan de heer Brandts, nadrukkelijk met de last en onder voorwaarde, dat deze ook de zielzorg moest meehelpen bestieren en de heer pastoor in alle pastorale functies behulpzaam moest zijn.

Onmiddellijk na de heer Brandts was zekere heer Pijls daarmede begunstigd geworden door dezelfde vergadering van schepenen en gemeentenaren. Deze Pijls had de heer pastoor ook geassisteerd in het administreren der zieken, biechthoren en andere functies van zielzorg tot in het jaar 1772. Daarna had hij zowel het primissariaat als ook de functie van geestelijke koster neergelegd. Terstond daarna was de heer Horstmans opgevolgd en met de genoemde ambten van primissarius en geestelijke koster begunstigd door de meergenoemde vergadering van gemeentenaren en wel nadrukkelijk ingevolge het reglement van 1720 en op condities als in vorige jaren.

De rechtsgeleerden concludeerden uit de aanstelling ingevolge het reglement, dat de gemeentenaren dus vrij waren om jaarlijks te beslissen over het aanhouden of ontslaan van de geestelijke koster. En wat verder de daarbij geldende condities betrof, wezen erop, dat de personen Brandts en Pijls de twaalf onmiddellijk voorafgaande jaren met de geestelijke kosterij voorzien waren geweest met de nadrukkelijke last van zielzorg. Deze hadden deze last ook in acht genomen. De tegenwoordige heer Horstmans was dus ook met die last van zielzorg bezwaard en hij had dus onder die condities de geestelijke kosterij aanvaard. Maar nu deze zich van deze last trachtte te ontdoen en zijn functie wilde verkleinen, hadden de gemeentenaren, nadat zij de sleutels conform het reglement hadden gereserveerd, ook het recht om een andere geestelijke koster aan te stellen, die zelf de zielzorg zou plegen.

Daarvoor zou hij dan ook de revenuen daaraan verbonden vanaf de vigiliedag van St. Jan 1775 tot 1776 mogen genieten.

Om tot deze conclusie te komen achtten de rechtsgeleerden het niet eens nodig om te onderzoeken of de gemeentenaren het primissariaat mochten bezwaren met zielzorg, hetgeen misschien uit de middelen van giften of fundaties niet gehonoreerd was. Dit belette de gemeentenaren niet om de geestelijke kosterij volgens hun recht te behandelen.

Zitting van rechtsgeleerden in de 18e eeuw

De rechtsgeleerden meenden nochtans, dat het billijk was om de heer Horstmans nog éénmaal in de gelegenheid te stellen door twee afgevaardigden uit de vergadering van de schepenbank en gemeentenaren naar hem toe te sturen met de vraag of hij van zinnen was de zielzorg in de toekomst op zich te nemen en in acht te nemen. Ingeval hij in zijn weigering zou volharden, dan zou men hem kunnen ontzeggen elke uitvoering van de geestelijke kosterij, alsmede het inbeuren van de daaraan verbonden vergoedingen vanaf 23 juni 1775. Na een weigerachtig antwoord van Horstmans zou men dadelijk kunnen overgaan tot het aanstellen van een andere geestelijke koster.

Aangaande het tweede twistpunt aan wie de beoordeling was, óf aan de pastoor óf aan de gemeente, om een “vaste onderpastoor” te hebben, luidde het advies, dat zowel ieder van hen afzonderlijk als ook beiden samen daartoe de kwaliteit hadden. Maar of dit direct met voldoende grond gevraagd kon worden, stond niet zonder meer vast. Immers volgens het canonieke recht was 't zeker, dat zulke vicarissen of assistenten in grote en zware parochies waartoe ook Nuth gerekend mocht worden, eerst en vooral behoorden te worden onderhouden uit de inkomsten der parochiekerk. Zo iets zou, hangende de kwestie Horstmans, niet kunnen geschieden aangaande diens primissariaat, maar wel ten opzichte van de kosterij. Betreffende het primissariaat zou dat kunnen na de dood van de heer Horstmans. Dan zou het werk zo ingericht kunnen worden, dat het vicariaat uit de bedoelde fundaties ter collatie zou blijven van de gemeentenaren in overleg met de pastoor als vergever van de fundaties of stichtingen. Het vicariaat moest dan ook vitaal zijn en het zou bezwaard moeten zijn met zielzorg. Aldus luidde het advies van de rechtsgeleerden Limpens en Banens op 6 juli 1775.

Vier dagen later, op 10 juli 1775, waren Baron van Eynatten en de schout en schepenen met de verder gerechtigde gemeentenaren in bijzijn van de pastoor in vergadering bijeen op het schoolhuis om te beslissen over handhaving of verandering van geestelijke koster.

In het begin van de vergadering werd nog eens gememoreerd, dat in de algemene vergadering van de heerlijkheid Nuth op 23 juni 1775 was besloten om over het primissariaat en de geestelijke kosterij advies te vragen aan genoemde rechtsgeleerden. Tengevolge daarvan waren de sleutels voorlopig gereserveerd gebleven. Het uitgebrachte advies van de rechtsgeleerden werd door de secretaris aan de vergadering voorgelegd. Het zenden van twee gedeputeerden uit de vergadering naar de heer Horstmans achtte men overbodig, want deze was in deze vergadering uitgenodigd. Hem kon dus staande de vergadering reeds gevraagd worden of hij van zinnen was in het vervolg de zielzorg op zich te nemen en verder alles te doen wat daartoe behoorde.

Het schoolhuis naast de kerk

De schout, als voorzitter van de vergadering, stelde de vraag, waarop de heer Horstmans antwoordde, dat hij dit volgens zijn gevoelen niet mocht doen. Toen volgde men van gemeentewege het advies op van de rechtsgeleerden en werd aan Horstmans, in verband met zijn verklaring van weigering, de verdere uitoefening van de geestelijke kosterij ontzegd met vervallen verklaring tevens van zijn recht om de daaraan verbonden revenuen in te beuren vanaf 23 juni 1775. Hierover zou de vergadering terstond gaan beslissen. De heer Horstmans kon de vergadering verlaten. Men ging daarna over tot uitvoering van de genomen beslissing door het aanstellen van een andere geestelijke koster en primissarius.  Met algemene stemmen werd dit de eerw. heer Pijls van Amstenrade, op de voet zoals deze reeds deze bediening alhier had waargenomen vanaf 1761 tot 1772.

De vergadering, waarin deze belangrijke beslissing werd genomen, vond plaats, zoals gezegd, op het schoolhuis naast de kerk op het kerkhof,  d.d. 10 juli 1775, volgens de handtekeningen onder de genomen besluiten waren in die vergadering aanwezig: Baron van Eijnatten, als gebiedende Heer van Nuth, Johannes Scherpenseel, pastoor, en verder de schout der schepenbank de heer H. Dullens, de schepenen de heren Ackermans, Cremers, Nuchelmans, de secretaris J. W. Frissen en de borgemeesters (ontvangers) J. Hermens en J. Gorissen.

Toch was het vergeefse moeite geweest, want Pijls nam de benoeming niet aan. En juist een week later zaten de evengenoemde heren, aangevuld met de gemeentenaren P. Hautvast, J. Limpens, B. Drummen en Simonus Hermens, opnieuw te vergaderen op het schoolhuis om een primissarius en geestelijke koster te benoemen. Tot dit geunieerde ambt werd toen benoemd kapelaan Hennen onder dezelfde condities als zijn voorgangers en met de inkomsten die ook zij hadden gehad. Deze inkomsten werden vooral geput uit de fundaties van M. Snijders, N. Leeck, S. Schillings en deken Pesch. Kapelaan Hennen kreeg daarbij de last de pastoor te assisteren en de parochiële functies te vervullen zoals het behoorde en redelijk was.

Na kapelaan Hennen werd Joseph Karel Toebaert vroegmisheer van 1781 tot 1791, opgevolgd door J. A. Hennes van 1791 tot 1794. Van 1794 tot 1802 was geestelijk koster en kapelaan Jan C. M. B. Gorissen. Tenslotte kwam, zoals hiervoren vermeld, als laatste kapelaan-koster Petrus Beaujean van 1811 tot 1834.

 

Deel 3: de koster-organist-schoolmeester 1818-1852

Intussen was de functie van schoolmeester meer en meer in handen gelegd van de wereldlijke koster. Het blijkt, dat deze functie op 24 juli 1818 is opgedragen aan Joannes Henricus Hermans, de koster-organist, terwijl diens vader Nicolaas Hermans ook als zodanig in functie is geweest. Op 12 mei 1808 werd tot zanger-organist aangesteld de zojuist genoemde Joannes Henricus Hermans, zoon van Nicolaas Hermans en Maria Catharina Willems.

Het kerkbestuur legde hem daarbij vijf voorwaarden op in de arbeidsovereenkomst:

Hij moest o.a. “den orgel spelen” tot eer en Glorie van God en tot gerief van de geestelijken en parochianen op zon- en feestdagen, zoals dat tot dan toe gedaan was.

De kerk poetsen zoals dat betaamde, het lijnwaad der kerk wassen, het koper en tin schuren, behoorde ook tot zijn taak. Daarvoor moest hij de nodige bezems en borstels leveren, evenals het smeer voor de klokken.

Van alle ornamenten der kerk moest hij de inventarisatiestaat opmaken en bijhouden; hetgeen hiervan voor dagelijks gebruik nodig was bleef onder zijn directe verantwoordelijkheid, terwijl de kostbare ornamenten en zaken in handen bleven van iemand van het kerkbestuur.

 

Voor deze werkzaamheden genoot hij het zogenaamde kosterbrood, dat door de parochianen geleverd of betaald werd. Verder inde hij de helft van het “casueel” vallende in de kerk “hetzij volgens stipendium ofte op titel van drinkgeld”.

Voor het bespelen van het orgel kreeg hij een aparte vergoeding van 10 stuivers voor elke bestelde H. Mis.

De kosterswoning naast de trappen naar de kerk

 Tien jaar later, op 24 juni 1818, besloot het kerkbestuur om de koster Joannes Henricus Hermans onder dezelfde voorwaarden te handhaven als koster-organist, maar hij kreeg toen het geheel casueel in plaats van de helft. Ook zou hij genieten het hout en het gras, staande op het kerkhof, doch daarvoor moest hij dan wel de graven schoonhouden en de hagen snoeien om het kerkhof. Er mochten ook geen koeien meer op het kerkhof gaan grazen, doch het gras moest gemaaid worden.

Tenslotte bleef het schoolhuis tot zijn gerief om aldaar een goede school te houden voor de kinderen, die zich daarvoor aanmelden.

Omtrent de vergoeding, voortvloeiende uit zijn recht tot het innen van het z.g. kosterbrood, is nog breedvoerig gecorrespondeerd door het kerkbestuur, de gemeenteraad en de commissaris van het district Maastricht in de jaren 1828-1829.

Het ophalen van het kosterbrood was meer en meer in onbruik geraakt maar in plaats van deze gift in natura kreeg de koster van elk gezin een bepaald bedrag per jaar.

Wegens het decreet uit de Franse tijd d.d. 30 december 1809 was het de koster voor de toekomst verboden het kosterbrood bij de mensen op te halen. Koster J. H. Hermans richtte toen een verzoek tot de commissaris waarbij hij vroeg om jaarlijks een bedrag van f 100,- te mogen ontvangen uit de gemeentekas ter schadeloosstelling. Het kerkbestuur kreeg dit verzoek ter advies, via burgemeester en wethouders van Nuth. Eenparig was het kerkbestuur van gevoelen, dat de koster niet meer voldoende beloond werd met de paar broden die hij nog steeds inzamelde en aangezien hem deze inzameling ook nog volgens de bestaande verordeningen onmogelijk werd gemaakt, moest hem op een andere wijze iets toevloeien

Als arbeidsloon uit de fondsen van de kerkfabriek kon dit niet, zoals bleek uit de jaarlijkse begroting. Hierin moest volgens het kerkbestuur voorzien worden uit de gemeentekas. Het kerkbestuur vond het bedrag van f 100,-, dat de koster aan de commissaris gevraagd had evenwel aan de hoge kant. Als richtsnoer wilde het kerkbestuur de oude opbrengst van de kosterbroden aanhouden en dan kon de som ongeveer bepaald worden op fl 85,--.

Tot tweemaal toe kwam dit punt -voor een gemeenteraad van die tijd natuurlijk van groot gewicht- in de raadsvergadering in behandeling en wel op 15 januari en 10 september 1829, nadat het in de kerkenraad was geweest op 4 januari en 6 september 1829. De koster trok echter aan het kortste eind. Commissaris Kerens van het toenmalige district Maastricht beschikte in diens uitvoerig besluit van 31 oktober 1829 afwijzend op het verzoek van de koster van Nuth. Uit hoofde van de aangevoerde omstandigheden achtte de Commissaris geen termen aanwezig om aan het verzoek van de reclamant gevolg te geven. Hij liet zelfs tot uitdrukking komen, dat wanneer de koster meende niet genoeg salaris te ontvangen, hij ontslag zou kunnen aanvragen. Aan het gemeentebestuur droeg hij op “ten stipste te waken dat gene rondhaling van broden door den koster plaats heeft”

De openbare school 1854-1894

De koster-schoolmeester die dus nul op zijn “rekwest” had gekregen, liet het er niet bij zitten. Het jaar daarna, om juist te zijn 30 april 1830, kreeg het gemeentebestuur een brief van de Commissaris. Hem was gerapporteerd, dat in de school van Nuth verschillende schoolmeubelen en leermiddelen zouden ontbreken. Er waren geen zitbanken met halve schrijftafels, geen “leesmaschijn”, geen letterplankjes, de negen wandborden waren niet aanwezig, ook geen leerbord en eindelijk het stel maten en gewichten ontbrak. Dit laatste zou zich nog onder de berusting van de burgemeester bevinden.

De Commissaris verlangde, dat de gemeenteraad de nodige financiële middelen aanwees ter aanschaffing van de ontbrekende schoolmeubelen en leermiddelen, verder wenste hij een voordracht om aan de schoolmeester een schadeloosstelling te verschaffen voor huishuur, alsmede voor vuur en licht ten dienste van de school.

In de raadvergadering van 8 mei 1830 besloot men fl. 20,-- op de begroting uit te trekken voor aanschaffing van de ontbrekende leerbehoeften, maar met de gevraagde schadevergoeding voor de koster-schoolmeester kon men het niet eens zijn. Op de eerste plaats had slechts de helft der inwoners kinderen die onderwijs genoten, en dan nog hoe? Het onderwijs van een schoolmeester die tevens organist, koster en kaarsenmaker was, kon niet op behoorlijke manier gegeven worden. Dat was maar “half werk”. Bovendien hadden zich reeds “overlang” geschikte personen als onderwijzer aangeboden, die genoegen wensten te nemen met de vergoeding uit de maandelijkse schoolgelden der kinderen. Dit zou zelfs zijn ter bevordering van het onderwijs op regelmatige wijze en tot voordeel van de gemeenschap.

Overigens was het overbekend, dat de gemeente zich in zulke schulden gedompeld vond, dat aan een schadevergoeding, welke niet redelijk was, niet gedacht kon worden. Aldus luidde het advies aan Gedeputeerde Staten.

Hiermede nemen wij afscheid van de laatste koster-sohoolmeester van de parochieschool te Nuth. Zijn zoon Nicolaas Joseph Hermans werd de eerste onderwijzer aan de openbare gemeenteschool, die in 1852 door het gemeentebestuur werd gebouwd en welk gebouw nu nog dienst doet als gemeentehuis.

Deze onderwijzer vervulde ook de functie van koster en diens zoon Frans Hermans werd op 7 januari 1891 tot koster-organist benoemd.

In 1894 kwam de tegenwoordige jongensschool aan de Nuinhofstraat gereed.

De openbare school met 4 klaslokalen en onderwijzerswoning 1894


 



© NuthvanToen / Hub Ritzen

Reacties

Populaire posts van deze blog

DE GEMEENTE NUTH VAN 1900 TOT 1959

NUTH IN DE ROMEINSE TIJD