DE SCHOOLMEESTER, KOSTER EN ORGANIST
deel 1. de
koster schoolmeester 1598-1749
“Het
onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering”, lezen we nu in
de grondwet. In vorige eeuwen was dat anders. Toen ontbeerde het onderwijs de
leerplichtwetten en de verder beschermende onderwijswetten. ‘Schoolmeester
spelen’ was een taak, die in Nuth aan de koster, later aan de geestelijk
koster, de kapelaan was toegedacht. De leermethode werd aan het vernuft van de
koster-schoolmeester zelf overgelaten. De kinderen liepen vrijwillig school en
dan nog sporadisch , meestal in de wintertijd.
Het
schoolhuis was van de parochie en de aanstelling van de leerkracht geschiedde
ook in samenwerking met de pastoor. In het kostershuis was een kamer waarin de
parochieschool gevestigd was. Het onderwijsbeleid berustte dus bij de
gebiedende heer van Nuth met zijn schepenbank en de gemeentenaren in
samenwerking met de pastoor.
|
Het
kostershuis annex school naast de kerk |
Na
1749 werd het ambt van koster-schoolmeester waargenomen door de kapelaan ook
wel primissarius, vroegmisheer of geestelijke
koster genoemd. Kapelaan Petrus
Beaujean, geboortig van Bunde, was tussen de jaren 1811 en 1834 de laatste
geestelijke die te Nuth als schoolmeester fungeerde.
Omtrent
de taak en de rechten en plichten van de koster-schoolmeester is gelukkig nog
het een en ander opgetekend en bewaard gebleven. Zo zien we in een “Extract uyt
het Register der Custer renten van Nuth” dd. 1598 enige inkomstenbronnen van de
koster opgesomd:
1.
Ten eerste heeft de koster voor zijn arbeid voor
de kerk tot zijn gebruik het kerkhof met de bomen en toebehoren; van dit alles
heeft hij het ongestoord bezit
2.
Ook ontvangt hij nog ieder jaar van elk huis dat
een stookplaats heeft (“alwaer roock opgaet”) twee normale broden, n.l. een met
Kerstmis en een met Pasen. Van de ontvangst daarvan is de koster op de gewone
wijze in het ongestoord bezit.
3.
Verder heeft de koster jaarlijks in de oogst
recht op de zogenaamde luid- of klokgerf van ieder persoon wonende binnen de
parochie wanneer deze in de parochie zoveel land bezit, dat daarop een zg.
tiendgerf valt.
Het
oudste bekende register van de Kerkfabriek (parochie) van Nuth dateert van 29
mei 1598. Daarin staan twee slotartikelen verdere rechten en plichten van de
koster-schoolmeester opgetekend:
1.
“Item so hefft der custer jaers half so veele
van alle rechten als der pastor, dwelck vallen op kinder doop, houwelick,
begreffenis, begenckenis etc. en is de custer in vreedzaam bezit daarvan.
2.
“Item hiertegen so is der custer gehouden ende
schuldich sijnen opgleghden dienst der keercken hofflick ende vlijtich te
volbringen, also dat niemants dar over hebbe te
clagen, mit oock gehouden goede Catholische schoel voer die kinder damit
sie moegen leeren Godt vreesen, dienen, wijsz ende verstandigh worden”.
|
Schoolklas
vlgs. Ferdinand de Braekeleer |
Op de
23e juni 1720 onder Pastoor van Lijen,
vond men het gewenst om de “Conditiën waerop den Custer van alhier sal gehouden
sijn sijne bedieninghe te doen” nader te omlijnen en in een resolutie vast te
leggen:
1.
Vooreerst zal hij het kosterambt trouw moeten
bedienen zowel binnen als buiten de kerk, overal naar goedvinden van de heer
pastoor, zoals dat behoort. Hij is niet alleen verplicht de heer pastoor te
dienen maar ook de heer kapelaan en andere priesters die hier inde parochie
komen dienst te doen.
2.
Hij zal steeds moeten resideren in het
kosterhuis alhier en dit ten tijde van zijn bediening moeten onderhouden en
repareren.
3.
De koster is verplicht een goede school te
houden en daarmede door te gaan zolang zich kinderen daarvoor zullen
presenteren. Hij zal met vaderlijke toewijding en zachtmoedigheid de kinderen
onderwijzen, zowel in de christelijke leer als hen ook leren lezen en schrijven
in het “vlaems” en andere “spraecken” en verder zal hij de kinderen de
“cijferkunst” moeten bijbrengen en voorts hen onderrichten in alles wat tot een
goede school behoort. Dit zal hij met dezelfde zorg moeten doen voor de armen
van de parochie als voor de anderen voor het salaris, dat men alhier van ouds
gewoon is te geven voor zulke instructie.
4.
De aangestelde koster moet zijn functie in eigen
persoon uitoefenen, maar het is hem toegestaan zich voor het een en ander te
laten bijstaan door een bekwaam assistent tot betere dienst en gerief van de
kerk en van de school en wel op die wijze, dat hij ook zal kunnen voldoen aan
zijn andere plichten waartoe hij uit andere hoofde verplicht zal zijn.
5.
Op Sint Jansavond (23 juni) zal hij gehouden
zijn, volgens oude gewoonte elk jaar de sleutels met de bediening te seponeren
op de manier zoals vanouds gebeurd is. Indien hij de zo juist genoemde conditie
weigert te volbrengen en wanneer de kosterij niet goed bediend zou worden, zal
men alsdan vrij staan een andere koster aan te stellen.
6.
Het kerkhof zal eenmaal opgemaakt worden. Daarna
zal de koster gehouden zijn het kerkhof te houden in de staat waarin hij het
aantreft. Elk jaar moet hij daarop planten twee kersebomen, esse- of
eikeplanten.
7.
Verder heeft hij alles te doen waartoe een goede
koster en schoolmeester gehouden is.
Deze
instructie werd Joannes Pricken, als bedienaar van de kosterij alhier in het
jaar 1741 noodlottig. Tijdens de gebruikelijke algemene jaarvergadering op de
vooravond van St. Jan (23 juni) waarin
de gebiedende Heer van Nuth, Baron van Eynatten van Reijmerbeek, met zijn
schepenen en gemeentenaren en met de pastoor bijeen waren, werd Pricken als
koster-schoolmeester ontslagen, wegens zijn al te slechte oppassingen van de
school en ook wegens andere grove tekortkomingen.
Uit
compassie voor zijn vrouw werd, daarna door tussenkomst van de baron en
anderen, met toestemming van de vergadering, bepaald dat hij voorlopig tot
nadere beslissing het gewone kosterbrood mocht gaan collecteren en nog
gedurende negen maanden de andere
“accidentalia” vervallende in de kerk kon blijven genieten. Maar de
rest, het kosterhuis, kerkhof, koolhof alsmede de tiendgerven en de kleine
pachten (“smaelpacht”) moesten gelaten worden aan de tijdelijke primissarius
(kapelaan) die de parochie bediende. Met deze
gracieuze toezegging was Pricken toen zeer content.
Maar
in 1747, na de dood van de primissarius, de eerw. heer Sijstermans, werd
Pricken wederom ondankbaar voor de hem verleende gunslen. Hij ging toen
eigenmachtig en in strijd met de gemaakte condities de tiendgerven van
Vaesrade, gedeeltelijk Hellebroek, enige in Nuth en elders ophalen voor
zichzelf. Iets dergelijks haalde hij uit in 1748 toen hij de tiendgerven van
Hellebroek voor zichzelf liet uitdorsen, ofschoon deze veldvruchten toekwamen
aan de eerw. heer Willems, als aangestelde bedienaar van de vroegmis. Deze was
daardoor zeer gedupeerd in zijn winterprovisie.
|
De
kosterswoning op het kerkhof (tek P. Jansen) |
Dit
strekte niet alleen tot minachting van de gemeente maar ook van de pastoor. Men
was zonder twijfel van oordeel, dat zulke plaats voor de jonkheid de minst
geschikte gelegenheid was voor het houden van school en voor onderrichting in
de christelijke leer. Deze gang van zaken was de baron en de vergaderde
gemeentenaren te gortig. Zij wilden voor de toekomst verzekerd zijn van een
goede koster-schoolmeester, waarbij tevens gedacht werd aan een gelijktijdige
bedienaar van de vroegmis, de school en de catechismusles.
Men
vond dit drie voorname dingen in een gemeente als Nuth. En om nu van deze drie
essentiële punten voor de toekomst secuur verzekerd te zijn, besloot men over
te gaan tot de aanstelling van een geestelijke koster ten dienste en tot gerief
van de groten en tot onderwijzing en instructie van de kleinen en bovendien tot
nut en profijt van de gehele gemeente. Deze geestelijke koster zou dan alle
inkomsten en rechten trekken die voorheen aan de kosterij vast zaten en met
inachtneming van de voorwaarden, zoals deze in de “Conditiën van 1720” waren
vastgesteld. Aldus besloot de algemene vergadering op 8 januari 1749.
Bij
de uitvoering van een dergelijk verstrekkend voorstel vreesde de pastoor
misschien, dat de wereldlijke bestuurders van Nuth te zeer gingen grasduinen op
kerkelijk terrein. Hij nam koster Pricken in bescherming tegen de baron en zijn
notabelen door inschakeling van de overige parochianen zelfs “die van Vaesrade”
wilde hij daarbij niet voorbijgaan, die ook het kosterbrood en de kostergerf
gaven.
De
baron met zijn schepenen en meest geërfden van de parochie kwamen hiertegen in
verzet. Het bleef klachten regenen tegen de handhaving van koster Pricken,
ondanks de mededeling van de pastoor, dat hij geen klachten had over de koster.
Op de
gewone jaarlijkse algemene vergadering aan de vooravond van St. Jan Baptist (23
juni 1749) moest Pricken, zoals van oudsher gebruikelijk, de sleutels van de
kerk presenteren, ten einde van de vergadering te vernemen of hij al dan niet
zijn functie kon blijven uitoefenen. Op verzoek van de heer pastoor was de
vergadering belegd op het kerkhof om deze kosterbenoeming te regelen.
Natuurlijk op de hoogte van de klachten, welke tegen koster Pricken bestonden,
vroeg hij wie iets tegen de handhaving van Pricken had in te brengen. Op
verzoek van de gemeentesecretaris Bavo Meijs ging men toen in het schoolhuis,
op het kerkhof gelegen, verder discussiëren.
Pastoor
Wolters en koster Pricken gingen mee. De ingebrachte schriftelijke bezwaren
werden ter vergadering in het bijzijn der parochianen voorgelezen. De pastoor
hoorde de klachten aan en vroeg daarna: “Wat zijn jullie van plan met deze arme
man te doen?. Wilt gij hem bedelen jagen
?”. Het pleidooi van de pastoor kon de koster niet redden. De vergadering wilde
niet dat de hele gemeente schade ondervond ter wille van één man, die grovelijk
te kort schoot in de uitoefening van zijn functies. Men had in de gemeente de
zoon van Peter Corten uit Hellebroek, een priesterstudent (theologant), die
zeker capabel was om koster te spelen. Deze sollicitant kon op het moment wel
nog niet voldoen aan de drie essentiële eisen, gesteld in de vergadering van de
gemeentenaren d.d. 8 januari 1749, n.l. koster, schoolmeester en kapelaan of
vroegmisheer, maar dat kon voorlopig opgelost worden. Zijn vader zou iemand
zoeken die tot aan de priesterwijding van zijn zoon de vroegmis zou lezen in de
parochiekerk van Nuth.
Er
werd tenslotte water bij de wijn gedaan en de vergadering kwam tot een
compromis. De sleutels der waardigheid verbonden aan het kosterambt kreeg Peter
Corten voor zijn zoon, waarmede aan deze het kosterambt werd toevertrouwd.
Onder bepaalde voorwaarden wilde men het nog eens aanzien met koster Pricken en
mocht deze nog voor één jaar koster blijven, terwijl kapelaan J. Willems nog negen
maanden de vroegmis zou blijven doen totdat de zoon van Peter Corten de
priesterwijding had ontvangen.
Koster
Pricken nam in de loop van de hem toegemeten tijd de kans waar om zijn functie
voor de komende herbenoeming veilig te stellen. Hij ging daarvoor in 1750
handtekeningen of “kruusken” verzamelen bij de parochianen langs de huizen. Hij
moest aanhang zien te krijgen, want binnenkort op 23 juni 1750 zou opnieuw de
gebruikelijke deponering van de sleutels gaan plaats vinden in het schoolhuis.
De
pastoor zat ook niet stil en trachtte de herbenoeming van Pricken te
beïnvloeden door een kennelijk daarop afgestemde afkondiging vanaf de
preekstoel op zondag 21 juni 1750: “Vermits dat aenstaende dinsdaegh St.
Jansavond is ende dat den custer volgens oude gewoonte de sleutels van de
kercke olsdan presenteren moet, soo versoecke ick, dat de naebers op dien dagh
gelieven nerstigh naer de kercke te coomen en oock die van Vaesrade, die aen
den custer gerff en broot soo wel geven als die van Nuth en derhalven
supponeren dat sie soo wel daer in te seggen hebben als die van Nuth en ick sal
alsdan ene speciale misse doen, opdat de naebers eendragteliik souden sijn”.
Uit
een getuigenakte welke notaris L'Allemand over deze omstreden kosterbenoeming
heeft opgemaakt blijkt verder, dat een groot aantal parochianen op de
aangewezen dag en uur naar de H. Mis waren gekomen. Schijnbaar waren “die van
Vaesrade en Hellebroek” goed vertegenwoordigd, zelfs met zware stokken
gewapend. Terstond na de H. Mis werd de klok geluid en verzamelden zich de
parochianen op het kerkhof in twee partijen, waarschijnlijk de vóór- en
tegenstemmers. De schepen G. Limpens deed aan de pastoor het verzoek om nog
even te wachten op de baron, die nog niet aanwezig was. “De mis is uit, dag en
uur is aangebroken”, was het antwoord van de pastoor en Leonard Creuwen van
Vaesrade viel hem bij: Ja, pastoor, maeckt nu maer veurwarts".
De
baron van Reijmersbeek, die dus als gebiedende heer van Nuth niet bij deze
benoeming aanwezig was geweest, wilde daar meer van weten en hoe het precies
gegaan was. Daarvoor riep hij op 23 juli daarna de heren J. B. Meijs, P.
Hautvast, L. Limpens, J. Spijckers en A. Waltmans, allemaal parochianen en
notabelen van Nuth als de voornaamste geërfden bijeen. En zij deden hem verhaal
van het hiervoren vermelde relaas, dat in de notariële akte nog veel
uitvoeriger is vastgelegd.
Op
bevel van hogerhand (De Hoge Raad van Brabant) moesten op 28 juni 1751 ook de
inwoners van Vaesrade als behorende tot de parochie van Nuth ter vergadering
worden opgeroepen om te beslissen of zij hun aanspraken wilden verdedigen om
samen met de bewoners van Nuth een koster-schoolmeester aan te stellen te Nuth.
Deze vergadering schijnt tot resultaat te hebben gehad, dat alleen de bewoners
van Nuth een Reglement hebben opgesteld, bevattende 34 artikelen op het punt
van school-, kerk- en armwezen.
|
De oude kapel
van Vaesrade |
De
schepenbank of rechtbank van Vaesrade riep de kluizenaar in de volgende
vergadering ter verantwoording, maar deze kwam niet en verdedigde zich met een
door hemzelf geschreven en ondertekende brief. Daarin klaagde hij, dat de
schoolgelden niet betaald werden. De schepenbank nam daar geen genoegen mee en
verplichtte hem op straffe van zes goud gulden om voortaan geregeld school te
houden. Wat de betaling van de schoolgelden betrof stond het hem vrij zich
hiervoor van tijd tot tijd te laten betalen.
Deel 2:
de kapelaan koster-schoolmeester 1750-1818
Terugkerende
tot Nuth zien wij, dat ook daar op 23 juni 1757 de kwestie inkomsten van de
geestelijke koster-schoolmeester aan de orde was. In de vergadering van die dag
onder voorzitterschap van schout Dullens bekrachtigde en bevestigde pastoor
Wolters van Nuth nog eens in handen van de secretaris Bavo Meijs, al hetgeen in
de jaarlijkse algemene vergadering van 8 januari 1749 betreffende de functie en
de verdere inkomsten van de geestelijke koster was toegezegd.
|
1752 uit het reglement van de koster en schoolmeester benoeming |
Gelukkig
was deze keuze niet. Door langdurige ziekte was kapelaan Brandts niet in staat
zijn opgelegde functie te verrichten zoals het behoorde. Ook op het punt van de
zielzorg bleef hij in gebreke en de geestelijke kosterij werd verwaarloosd. In
de vergadering van 23 juni 1760 werd hem nog eens op het hart gedrukt, dat hij
vanaf die dag tot aan de aanstaande kerstmis moest biecht horen en de pastoor
voor zoveel nodig assisteren. Hij zou dan daarvoor de normale emolumenten die
aan het primissariaat vastzaten kunnen genieten. Kort daarop heeft hij ontslag
genomen.
In de algemene vergadering van 30 oktober 1760, welke “bij
openbare kerkenroep” en door aankondiging behoorlijk werd “geconvoceerd”, werd
de eerw. heer Franciscus Pijls uit Amstenrade tot geestelijke koster
aangesteld. Deze is gebleven tot 23 juni 1772. In zijn plaats kwam daarna de
eerw. heer Johannes Petrus Horstmans, geboren te Nuth, op dat moment diaken in
het seminarie te Roermond. Over deze aanstelling ontstonden moeilijkheden.
Diaken Horstmans wilde niet voldoen aan verschillende
punten van het Reglement van 1720 terzake de zielzorg. Men stond er op, dat het
reglement zou worden nageleefd door de heer Horstmans. Pastoor Scherpenseel
wilde weten of het burgerlijk bestuur de kosterij -had te vergeven, dan wel het
kerkbestuur, omdat aan het geestelijk kosterambt min of meer de functie van
primissarius of onderpastoor was vastgekoppeld. De pastoor wilde dit
primissariaat gescheiden zien van de geestelijke kosterij. Hij richtte hierover
een request op 23 juni 1775 aan de vergaderde schepenbank en gemeentenaren.
De vergadering beriep zich op het reglement van 1720
waarin de taken van de geestelijke koster, die gelijktijdig primissarius moest
zijn, waren omschreven. Men kwam niet uit de impasse en vroeg terstond advies
aan twee canonieke rechtsgeleerden, de heren M.W. Limpens en C. Banens uit
Maastricht. Reeds op 6 juli daarna was een uitvoerig advies uitgebracht op
gezegeld papier van tien stuiver.
De
twee rechtsgeleerden hadden zowel het request van de pastoor bestudeerd als ook
de zienswijze, daarop uitgebracht door de vergadering der gemeentenaren. Verder
namen ze inzage van nog andere stukken. Uit dit alles was hen gebleken, dat de
geestelijke kosterij stond ter vergeving van de gemeentenaren en dat deze ook
het recht hadden de geestelijke koster jaarlijks te handhaven of een nieuwe aan
te stellen. Zij grepen daarvoor terug op de benoemingen van Brandts, Pijls en
Horstmans. Deze benoemingen waren toch ook geschied door dezelfde vergadering.
In 1760 was immers de geestelijke kosterij opgedragen aan de heer Brandts,
nadrukkelijk met de last en onder voorwaarde, dat deze ook de zielzorg moest
meehelpen bestieren en de heer pastoor in alle pastorale functies behulpzaam
moest zijn.
Onmiddellijk
na de heer Brandts was zekere heer Pijls daarmede begunstigd geworden door
dezelfde vergadering van schepenen en gemeentenaren. Deze Pijls had de heer
pastoor ook geassisteerd in het administreren der zieken, biechthoren en andere
functies van zielzorg tot in het jaar 1772. Daarna had hij zowel het
primissariaat als ook de functie van geestelijke koster neergelegd. Terstond
daarna was de heer Horstmans opgevolgd en met de genoemde ambten van
primissarius en geestelijke koster begunstigd door de meergenoemde vergadering
van gemeentenaren en wel nadrukkelijk ingevolge het reglement van 1720 en op
condities als in vorige jaren.
De rechtsgeleerden concludeerden uit de aanstelling
ingevolge het reglement, dat de gemeentenaren dus vrij waren om jaarlijks te
beslissen over het aanhouden of ontslaan van de geestelijke koster. En wat
verder de daarbij geldende condities betrof, wezen erop, dat de personen
Brandts en Pijls de twaalf onmiddellijk voorafgaande jaren met de geestelijke
kosterij voorzien waren geweest met de nadrukkelijke last van zielzorg. Deze
hadden deze last ook in acht genomen. De tegenwoordige heer Horstmans was dus
ook met die last van zielzorg bezwaard en hij had dus onder die condities de
geestelijke kosterij aanvaard. Maar nu deze zich van deze last trachtte te
ontdoen en zijn functie wilde verkleinen, hadden de gemeentenaren, nadat zij de
sleutels conform het reglement hadden gereserveerd, ook het recht om een andere
geestelijke koster aan te stellen, die zelf de zielzorg zou plegen.
Daarvoor zou hij dan ook de revenuen daaraan verbonden
vanaf de vigiliedag van St. Jan 1775 tot 1776 mogen genieten.
Om
tot deze conclusie te komen achtten de rechtsgeleerden het niet eens nodig om
te onderzoeken of de gemeentenaren het primissariaat mochten bezwaren met
zielzorg, hetgeen misschien uit de middelen van giften of fundaties niet
gehonoreerd was. Dit belette de gemeentenaren niet om de geestelijke kosterij
volgens hun recht te behandelen.
|
Zitting van rechtsgeleerden
in de 18e eeuw |
Aangaande
het tweede twistpunt aan wie de beoordeling was, óf aan de pastoor óf aan de
gemeente, om een “vaste onderpastoor” te hebben, luidde het advies, dat zowel
ieder van hen afzonderlijk als ook beiden samen daartoe de kwaliteit hadden.
Maar of dit direct met voldoende grond gevraagd kon worden, stond niet zonder
meer vast. Immers volgens het canonieke recht was 't zeker, dat zulke
vicarissen of assistenten in grote en zware parochies waartoe ook Nuth gerekend
mocht worden, eerst en vooral behoorden te worden onderhouden uit de inkomsten
der parochiekerk. Zo iets zou, hangende de kwestie Horstmans, niet kunnen
geschieden aangaande diens primissariaat, maar wel ten opzichte van de
kosterij. Betreffende het primissariaat zou dat kunnen na de dood van de heer
Horstmans. Dan zou het werk zo ingericht kunnen worden, dat het vicariaat uit
de bedoelde fundaties ter collatie zou blijven van de gemeentenaren in overleg
met de pastoor als vergever van de fundaties of stichtingen. Het vicariaat
moest dan ook vitaal zijn en het zou bezwaard moeten zijn met zielzorg. Aldus
luidde het advies van de rechtsgeleerden Limpens en Banens op 6 juli 1775.
Vier
dagen later, op 10 juli 1775, waren Baron van Eynatten en de schout en
schepenen met de verder gerechtigde gemeentenaren in bijzijn van de pastoor in
vergadering bijeen op het schoolhuis om te beslissen over handhaving of
verandering van geestelijke koster.
In
het begin van de vergadering werd nog eens gememoreerd, dat in de algemene
vergadering van de heerlijkheid Nuth op 23 juni 1775 was besloten om over het
primissariaat en de geestelijke kosterij advies te vragen aan genoemde
rechtsgeleerden. Tengevolge daarvan waren de sleutels voorlopig gereserveerd
gebleven. Het uitgebrachte advies van de rechtsgeleerden werd door de
secretaris aan de vergadering voorgelegd. Het zenden van twee gedeputeerden uit
de vergadering naar de heer Horstmans achtte men overbodig, want deze was in
deze vergadering uitgenodigd. Hem kon dus staande de vergadering reeds gevraagd
worden of hij van zinnen was in het vervolg de zielzorg op zich te nemen en
verder alles te doen wat daartoe behoorde.
|
Het schoolhuis
naast de kerk |
De vergadering, waarin deze belangrijke beslissing werd
genomen, vond plaats, zoals gezegd, op het schoolhuis naast de kerk op het
kerkhof, d.d. 10 juli 1775, volgens de
handtekeningen onder de genomen besluiten waren in die vergadering aanwezig:
Baron van Eijnatten, als gebiedende Heer van Nuth, Johannes Scherpenseel,
pastoor, en verder de schout der schepenbank de heer H. Dullens, de schepenen
de heren Ackermans, Cremers, Nuchelmans, de secretaris J. W. Frissen en de
borgemeesters (ontvangers) J. Hermens en J. Gorissen.
Toch was het vergeefse moeite geweest, want Pijls nam de
benoeming niet aan. En juist een week later zaten de evengenoemde heren,
aangevuld met de gemeentenaren P. Hautvast, J. Limpens, B. Drummen en Simonus
Hermens, opnieuw te vergaderen op het schoolhuis om een primissarius en
geestelijke koster te benoemen. Tot dit geunieerde ambt werd toen benoemd
kapelaan Hennen onder dezelfde condities als zijn voorgangers en met de
inkomsten die ook zij hadden gehad. Deze inkomsten werden vooral geput uit de
fundaties van M. Snijders, N. Leeck, S. Schillings en deken Pesch. Kapelaan
Hennen kreeg daarbij de last de pastoor te assisteren en de parochiële functies
te vervullen zoals het behoorde en redelijk was.
Na
kapelaan Hennen werd Joseph Karel Toebaert vroegmisheer van 1781 tot 1791,
opgevolgd door J. A. Hennes van 1791 tot 1794. Van 1794 tot 1802 was geestelijk
koster en kapelaan Jan C. M. B. Gorissen. Tenslotte kwam, zoals hiervoren
vermeld, als laatste kapelaan-koster Petrus Beaujean van 1811 tot 1834.
Deel 3:
de koster-organist-schoolmeester 1818-1852
Intussen
was de functie van schoolmeester meer en meer in handen gelegd van de
wereldlijke koster. Het blijkt, dat deze functie op 24 juli 1818 is opgedragen
aan Joannes Henricus Hermans, de koster-organist, terwijl diens vader Nicolaas
Hermans ook als zodanig in functie is geweest. Op 12 mei 1808 werd tot
zanger-organist aangesteld de zojuist genoemde Joannes Henricus Hermans, zoon
van Nicolaas Hermans en Maria Catharina Willems.
Het
kerkbestuur legde hem daarbij vijf voorwaarden op in de arbeidsovereenkomst:
Hij moest o.a. “den orgel spelen” tot eer en Glorie van
God en tot gerief van de geestelijken en parochianen op zon- en feestdagen,
zoals dat tot dan toe gedaan was.
De kerk poetsen zoals dat betaamde, het lijnwaad der kerk
wassen, het koper en tin schuren, behoorde ook tot zijn taak. Daarvoor moest
hij de nodige bezems en borstels leveren, evenals het smeer voor de klokken.
Van alle ornamenten der kerk moest hij de
inventarisatiestaat opmaken en bijhouden; hetgeen hiervan voor dagelijks
gebruik nodig was bleef onder zijn directe verantwoordelijkheid, terwijl de
kostbare ornamenten en zaken in handen bleven van iemand van het kerkbestuur.
Voor het bespelen van het orgel kreeg hij een aparte
vergoeding van 10 stuivers voor elke bestelde H. Mis.
|
De
kosterswoning naast de trappen naar de kerk |
Tenslotte bleef het schoolhuis tot zijn gerief om aldaar
een goede school te houden voor de kinderen, die zich daarvoor aanmelden.
Omtrent
de vergoeding, voortvloeiende uit zijn recht tot het innen van het z.g.
kosterbrood, is nog breedvoerig gecorrespondeerd door het kerkbestuur, de
gemeenteraad en de commissaris van het district Maastricht in de jaren
1828-1829.
Het
ophalen van het kosterbrood was meer en meer in onbruik geraakt maar in plaats
van deze gift in natura kreeg de koster van elk gezin een bepaald bedrag per
jaar.
Wegens
het decreet uit de Franse tijd d.d. 30 december 1809 was het de koster voor de
toekomst verboden het kosterbrood bij de mensen op te halen. Koster J. H.
Hermans richtte toen een verzoek tot de commissaris waarbij hij vroeg om
jaarlijks een bedrag van f 100,- te mogen ontvangen uit de gemeentekas ter
schadeloosstelling. Het kerkbestuur kreeg dit verzoek ter advies, via
burgemeester en wethouders van Nuth. Eenparig was het kerkbestuur van gevoelen,
dat de koster niet meer voldoende beloond werd met de paar broden die hij nog
steeds inzamelde en aangezien hem deze inzameling ook nog volgens de bestaande
verordeningen onmogelijk werd gemaakt, moest hem op een andere wijze iets
toevloeien
Als
arbeidsloon uit de fondsen van de kerkfabriek kon dit niet, zoals bleek uit de
jaarlijkse begroting. Hierin moest volgens het kerkbestuur voorzien worden uit
de gemeentekas. Het kerkbestuur vond het bedrag van f 100,-, dat de koster aan
de commissaris gevraagd had evenwel aan de hoge kant. Als richtsnoer wilde het
kerkbestuur de oude opbrengst van de kosterbroden aanhouden en dan kon de som
ongeveer bepaald worden op fl 85,--.
Tot
tweemaal toe kwam dit punt -voor een gemeenteraad van die tijd natuurlijk van
groot gewicht- in de raadsvergadering in behandeling en wel op 15 januari en 10
september 1829, nadat het in de kerkenraad was geweest op 4 januari en 6
september 1829. De koster trok echter aan het kortste eind. Commissaris Kerens
van het toenmalige district Maastricht beschikte in diens uitvoerig besluit van
31 oktober 1829 afwijzend op het verzoek van de koster van Nuth. Uit hoofde van
de aangevoerde omstandigheden achtte de Commissaris geen termen aanwezig om aan
het verzoek van de reclamant gevolg te geven. Hij liet zelfs tot uitdrukking
komen, dat wanneer de koster meende niet genoeg salaris te ontvangen, hij
ontslag zou kunnen aanvragen. Aan het gemeentebestuur droeg hij op “ten stipste
te waken dat gene rondhaling van broden door den koster plaats heeft”
|
De openbare
school 1854-1894 |
De Commissaris verlangde, dat de gemeenteraad de nodige
financiële middelen aanwees ter aanschaffing van de ontbrekende schoolmeubelen
en leermiddelen, verder wenste hij een voordracht om aan de schoolmeester een
schadeloosstelling te verschaffen voor huishuur, alsmede voor vuur en licht ten
dienste van de school.
In de
raadvergadering van 8 mei 1830 besloot men fl. 20,-- op de begroting uit te
trekken voor aanschaffing van de ontbrekende leerbehoeften, maar met de
gevraagde schadevergoeding voor de koster-schoolmeester kon men het niet eens
zijn. Op de eerste plaats had slechts de helft der inwoners kinderen die
onderwijs genoten, en dan nog hoe? Het onderwijs van een schoolmeester die
tevens organist, koster en kaarsenmaker was, kon niet op behoorlijke manier
gegeven worden. Dat was maar “half werk”. Bovendien hadden zich reeds
“overlang” geschikte personen als onderwijzer aangeboden, die genoegen wensten
te nemen met de vergoeding uit de maandelijkse schoolgelden der kinderen. Dit
zou zelfs zijn ter bevordering van het onderwijs op regelmatige wijze en tot
voordeel van de gemeenschap.
Overigens
was het overbekend, dat de gemeente zich in zulke schulden gedompeld vond, dat
aan een schadevergoeding, welke niet redelijk was, niet gedacht kon worden.
Aldus luidde het advies aan Gedeputeerde Staten.
Hiermede
nemen wij afscheid van de laatste koster-sohoolmeester van de parochieschool te
Nuth. Zijn zoon Nicolaas Joseph Hermans werd de eerste onderwijzer aan de
openbare gemeenteschool, die in 1852 door het gemeentebestuur werd gebouwd en
welk gebouw nu nog dienst doet als gemeentehuis.
Deze
onderwijzer vervulde ook de functie van koster en diens zoon Frans Hermans werd
op 7 januari 1891 tot koster-organist benoemd.
In 1894 kwam de tegenwoordige jongensschool aan de
Nuinhofstraat gereed.
|
De openbare
school met 4 klaslokalen en onderwijzerswoning 1894 |










Reacties
Een reactie posten