foto, film en geschiedenis van Nuth vroeger

dinsdag 22 maart 2011

DE SCHOOLMEESTER VAN NUTH (deel 1)

Deel 1: de koster schoolmeester 1598-1749

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering, lezen we nu in de grondwet. In vorige eeuwen was dat anders. Toen ontbeerde het onderwijs de leerplichtwetten en de verder beschermende onderwijswetten. ‘Schoolmeester spelen’ was een taak, die in Nuth aan de koster, later aan de geestelijk koster, de kapelaan was toegedacht. De leermethode werd aan het vernuft van de koster-schoolmeester zelf overgelaten. De kinderen liepen vrijwillig school en dan nog sporadisch , meestal in de wintertijd.
Kosterhuis (met schoolkamer) in de kerkstraat
ter orientatie rechts cafe Harst (Barbarossa)

Het schoolhuis was van de parochie en de aanstelling van de leerkracht geschiedde ook in samenwerking met de pastoor. In het kostershuis was een kamer waarin de parochieschool gevestigd was. Het onderwijsbeleid berustte dus bij de gebiedende heer van Nuth met zijn schepenbank en de gemeentenaren in samenwerking met de pastoor.

School werd gegeven in het kostershuis of schoolhuis, later in 1714 uitgebreid of veranderd tot kapelanie. Deze kosterij stond op het oude kerkhof naast de ingang van de parochiekerk. 
In 1932 is de oude kapelanie, vroeger kostershuis en school, verdwenen. Dit schoolhuis was reeds in onbruik sinds 1852. 
In 1852-54 gebouwd als school  tot 1894
Daarna gemeentehuis; de 1e verdieping is uit 1918


In dat jaar bouwde het gemeentebestuur een eigen school met onderwijzerswoning, thans sinds 1894 in gebruik als gemeentehuis. Sindsdien is ook de combinatie koster-schoolmeester verdwenen.

Na 1749 werd het ambt van koster-schoolmeester waargenomen door de kapelaan ook wel primissarius, vroeger misheer of geestelijke  koster  genoemd. Kapelaan Petrus Beaujean, geboortig van Bunde, was tussen de jaren 1811 en 1834 de laatste geestelijke die te Nuth als schoolmeester fungeerde.
Bavoschool sinds 1894

Omtrent de taak en de rechten en plichten van de koster-schoolmeester is gelukkig nog het een en ander opgetekend en bewaard gebleven. Zo zien we in een “Extract uyt het Register der Custer renten van Nuth” dd. 1598 enige inkomstenbronnen van de koster opgesomd:



1.    Ten eerste heeft de koster voor zijn arbeid voor de kerk tot zijn gebruik het kerkhof met de bomen en toebehoren; van dit alles heeft hij het ongestoord bezit
2.    Ook ontvangt hij nog ieder jaar van elk huis dat een stookplaats heeft (“alwaer roock opgaet”) twee normale broden, n.l. een met Kerstmis en een met Pasen. Van de ontvangst daarvan is de koster op de gewone wijze in het ongestoord bezit.
3.    Verder heeft de koster jaarlijks in de oogst recht op de zogenaamde luidgerf of klokgerf van ieder persoon wonende binnen de parochie wanneer deze in de parochie zoveel land bezit, dat daarop een zg. tiendgerf valt.

Het oudste bekende register van de Kerkfabriek (parochie) van Nuth dateert van 29 mei 1598. Daarin staan twee slotartikelen verdere rechten en plichten van de koster-schoolmeester opgetekend:

1.    “Item so hefft der custer jaers half so veele van alle rechten als der pastor, dwelck vallen op kinder doop, houwelick, begreffenis, begenckenis etc. en is de custer in vreedzaam bezit daarvan.
2.    “Item hiertegen so is der custer gehouden ende schuldich sijnen opgleghden dienst der keercken hofflick ende vlijtich te volbringen, also dat niemants dar over hebbe te  clagen, mit oock gehouden goede Catholische schoel voer die kinder damit sie moegen leeren Godt vreesen, dienen, wijsz ende verstandigh worden”.

Voor het schoolhouden ontving hij van de kinderen maandelijks schoolgeld. Voor het onderwijzen der armen, die kostenloos onderwijs genoten, werd hem vanwege de kerk en de gemeente een kleine tegemoetkoming toegekend. Het onderhoud van de school was voor de gemeente. Dit blijkt uit de kerk visitaties van 1667 en 1669, gehouden door de Roermondse Vicaris Generaal van Oeveren, die hiervoor optekende: de koster wordt benoemd door de heer pastoor en zijn naam is Henricus Schepers; zin huis ligt op het Kerkhof. De herstelling van dat huis is ten laste van de gemeente ; een school is niet gesticht, maar wordt gehouden door de koster van de schoolgelden der kinderen.

Op de 23e  juni 1720 onder Pastoor van Lijen, vond men het gewenst om de “Conditiën waerop den Custer van alhier sal gehouden sijn sijne bedieninghe te doen” nader te omlijnen en in een resolutie vast te leggen:

1.    Vooreerst zal hij het kosterambt trouw moeten bedienen zowel binnen als buiten de kerk, overal naar goedvinden van de heer pastoor, zoalsdat behoort. Hij is niet alleen verplicht de heer pastoor te dienen maar ook de heer kapelnaan en andere priesters die hier inde parochie komen dienst te doen.
2.    Hij zal steeds moeten resideren in het kosterhuis alhier en dit ten tijde van zijn bediening moeten onderhouden en repareren.
3.    De koster is verplicht een goede school te houden en daarmede door te gaan zolang zich kinderen daarvoor zullen presenteren. Hij zal met vaderlijke toewijding en zachtmoedigheid de kinderen onderwijzen, zowel in de christelijke leer als hen ook leren lezen en schrijven in het “vlaems” en andere “spraecken” en verder zal hij de kinderen de “cijferkunst” moeten bijbrengen en voorts hen onderrichten in alles wat tot een goede school behoort. Dit zal hij met dezelfde zorg moeten doen voor de armen van de parochie als voor de anderen voor het salaris, dat men alhier van ouds gewoon is te geven voor zulke instructie.
4.    De aangestelde koster moet zijn functie in eigen persoon uitoefenen, maar het is hem toegestaan zich voor het een en ander te laten bijstaan door een bekwaam assistent tot betere dienst en gerief van de kerk en van de school en wel op die wijze, dat hij ook zal kunnen voldoen aan zijn andere plichten waartoe hij uit andere hoofde verplicht zal zijn.
5.    Op Sint Jansavond (23 juni) zal hij gehouden zijn, volgens oude gewoonte elk jaar de sleutels met de bediening te seponeren op de manier zoals vanouds gebeurd is. Indien hij de zo juist genoemde conditie weigert te volbrengen en wanneer de kosterij niet goed bediend zou worden, zal men alsdan vrij staan een andere koster aan te stellen.
6.    Het kerkhof zal eenmaal opgemaakt worden. Daarna zal de koster gehouden zijn het kerkhof te houden in de staat waarin hij het aantreft. Elk jaar moet hij daarop planten twee kersebomen, esse- of eikeplanten.
7.    Verder heeft hij alles te doen waartoe een goede koster en schoolmeester gehouden is.

Deze instructie werd Joannes Pricken, als bedienaar van de kosterij alhier in het jaar 1741 noodlottig. Tijdens de gebruikelijke algemene jaarvergadering op de vooravond van St. Jan (23 juni)  waarin de gebiedende Heer van Nuth, Baron van Eynatten van Reijmerbeek, met zijn schepenen en gemeentenaren en met de pastoor bijeen waren, werd Pricken als koster-schoolmeester ontslagen, wegens zijn al te slechte oppassingen van de school en ook wegens andere grove tekortkomingen. uit compassie voor zijn vrouw werd, daarna door tussenkomst van de baron en anderen, met toestemming van de vergadering, bepaald dat hij voorlopig tot nadere beslissing het gewone kosterbrood mocht gaan collecteren en nog gedurende negen maanden de andere  “accidentalia” vervallende in de kerk kon blijven genieten. Maar de rest, het kosterhuis, kerkhof, koolhof alsmede de tiendgerven en de kleine pachten (“smaelpacht”) moesten gelaten worden aan de tijdelijke primissarius (kapelaan) die de parochie bediende. Met deze  gracieuze toezegging was Pricken toen zeer content.

Maar in 1747, na de dood van de primissarius, de eerw. heer Sijstermans, werd Pricken wederom ondankbaar voor de hem verleende gunslen. Hij ging toen eigenmachtig en in strijd met de gemaakte condities de tiendgerven van Vaesrade, gedeeltelijk Hellebroek, enige in Nuth en elders ophalen voor zichzelf. Iets dergelijks haalde hij uit in 1748 toen hij de tiendgerven van Hellebroek voor zichzelf liet uitdorsen, ofschoon deze veldvruchten toekwamen aan de eerw. heer Willems, als aangestelde bedienaar van de vroegmis. Deze was daardoor zeer gedupeerd in zijn winterprovisie.

Nog veel erger was hij fout in het schoolhouden. Omdat het kosterhuis in de winter van 1748 leeg stond, was hem aangeboden de school daarin tot zijn gerief te gebruiken; maar neen dat accepteerde hij niet. Liever ging hij schoolhouden in een herberg om aldus de kinderen van “jongsafaen te leren hetgeen hij langh gecost ende geploogen heeft”.

Dit strekte niet alleen tot minachting van de gemeente maar ook van de pastoor. Men was zonder twijfel van oordeel, dat zulke plaats voor de jonkheid de minst geschikte gelegenheid was voor het houden van school en voor onderrichting in de christelijke leer. Deze gang van zaken was de baron en de vergaderde gemeentenaren te gortig. Zij wilden voor de toekomst verzekerd zijn van een goede koster-schoolmeester, waarbij tevens gedacht werd aan een gelijktijdige bedienaar van de vroegmis, de school en de catechismusles. Men vond dit drie voorname dingen in een gemeente als Nuth. En om nu van deze drie essentiële punten voor de toekomst secuur verzekerd te zijn, besloot men over te gaan tot de aanstelling van een geestelijke koster ten dienste en tot gerief van de groten en tot onderwijzing en instructie van de kleinen en bovendien tot nut en profijt van de gehele gemeente. Deze geestelijke koster zou dan alle inkomsten en rechten trekken die voorheen aan de kosterij vast zaten en met inachtneming van de voorwaarden, zoals deze in de “Conditiën van 1720” waren vastgesteld. 
Aldus besloot de algemene vergadering op 8 januari 1749.

Bij de uitvoering van een dergelijk verstrekkend voorstel vreesde de pastoor misschien, dat de wereldlijke bestuurders van Nuth te zeer gingen grasduinen op kerkelijk terrein. Hij nam koster Pricken in bescherming tegen de baron en zijn notabelen door inschakeling van de overige parochianen zelfs “die van Vaesrade” wilde hij daarbij niet voorbijgaan, die ook het kosterbrood en de kostergerf gaven.

De baron met zijn schepenen en meest geërfden van de parochie kwamen hiertegen in verzet. Het bleef klachten regenen tegen de handhaving van koster Pricken, ondanks de mededeling van de pastoor, dat hij geen klachten had over de koster.

Op de gewone jaarlijkse algemene vergadering aan de vooravond van St. Jan Baptist (23 juni 1749) moest Pricken, zoals van oudsher gebruikelijk, de sleutels van de kerk presenteren, ten einde van de vergadering te vernemen of hij al dan niet zijn functie kon blijven uitoefenen. Op verzoek van de heer pastoor was de vergadering belegd op het kerkhof om deze kosterbenoeming te regelen. Natuurlijk op de hoogte van de klachten, welke tegen koster Pricken bestonden, vroeg hij wie iets tegen de handhaving van Pricken had in te brengen. Op verzoek van de gemeentesecretaris Bavo Meijs ging men toen in het schoolhuis, op het kerkhof gelegen, verder discussiëren.
Pastoor Wolters en koster Pricken gingen mee. De ingebrachte schriftelijke bezwaren werden ter vergadering in het bijzijn der parochianen voorgelezen.

De pastoor hoorde de klachten aan en vroeg daarna: “Wat zijn jullie van plan met deze arme man te doen?.  Wilt gij hem bedelen jagen?”. Het pleidooi van de pastoor kon de koster niet redden. De vergadering wilde niet dat de hele gemeente schade ondervond terwille van één man, die grovelijk te kort schoot in de uitoefening van zijn functies. Men had in de gemeente de zoon van Peter Corten uit Hellebroek, een priesterstudent (theologant), die zeker capabel was om koster te spelen. Deze sollicitant kon op het moment wel nog niet voldoen aan de drie essentiële eisen, gesteld in de vergadering van de gemeentenaren d.d. 8 januari 1749, n.l. koster, schoolmeester en kapelaan of vroegmisheer, maar dat kon voorlopig opgelost worden. Zijn vader zou iemand zoeken die tot aan de priesterwijding van zijn zoon de vroegmis zou lezen in de parochiekerk van Nuth.

Er werd tenslotte water bij de wijn gedaan en de vergadering kwam tot een compromis. De sleutels der waardigheid verbonden aan het kosterambt kreeg Peter Corten voor zijn zoon, waarmede aan deze het kosterambt werd toevertrouwd. Onder bepaalde voorwaarden wilde men het nog eens aanzien met koster Pricken en mocht deze nog voor één jaar koster blijven, terwijl kapelaan J. Willems nog 9 maanden de vroegmis zou blijven doen totdat de zoon van Peter Corten de priesterwijding had ontvangen.

Koster Pricken nam in de loop van de hem toegemeten tijd de kans waar om zijn functie voor de komende herbenoeming veilig te stellen. Hij ging daarvoor in 1750 handtekeningen of “kruusken” verzamelen bij de parochianen langs de huizen. Hij moest aanhang zien te krijgen, want binnenkort op 23 juni 1750 zou opnieuw de gebruikelijke deponering van de sleutels gaan plaats vinden in het schoolhuis.

De pastoor zat ook niet stil en trachtte de herbenoeming van Pricken te beïnvloeden door een kennelijk daarop afgestemde afkondiging vanaf de preekstoel op zondag 21 juni 1750: “Vermits dat aenstaende dinsdaegh St. Jansavond is ende dat den custer volgens oude gewoonte de sleutels van de kercke olsdan presenteren moet, soo versoecke ick, dat de naebers op dien dagh gelieven nerstigh naer de kercke te coomen en oock die van Vaesrade, die aen den custer gerff en broot soo wel geven als die van Nuth en derhalven supponeren dat sie soo wel daer in te seggen hebben als die van Nuth en ick sal alsdan ene speciale misse doen, opdat de naebers eendragteliik souden sijn”.

Uit een getuigenakte welke notaris L'Allemand over deze omstreden kosterbenoeming heeft opgemaakt blijkt verder, dat een groot aantal parochianen op de aangewezen dag en uur naar de H. Mis waren gekomen. Schijnbaar waren “die van Vaesrade en Hellebroek” goed vertegenwoordigd, zelfs met zware stokken gewapend. Terstond na de H. Mis werd de klok geluid en verzamelden zich de parochianen op het kerkhof in twee partijen, waarschijnlijk de vóór- en tegenstemmers. De schepen G. Limpens deed aan de pastoor het verzoek om nog even te wachten op de baron, die nog niet aanwezig was. “De mis is uit, dag en uur is aangebroken”, was het antwoord van de pastoor en Leonard Creuwen van Vaesrade viel hem bij: Ja, pastoor, maeckt nu maer  veurwarts".

De baron van Reijmersbeek, die dus als gebiedende heer van Nuth niet bij deze benoeming aanwezig was geweest, wilde daar meer van weten en hoe het precies gegaan was. Daarvoor riep hij op 23 juli daarna de heren J. B. Meijs, P. Hautvast, L. Limpens, J. Spijckers en A. Waltmans, allemaal parochianen en notabelen van Nuth als de voornaamste geërfden bijeen. En zij deden hem verhaal van het hiervoren vermelde relaas, dat in de notariële akte nog veel uitvoeriger is vastgelegd.

Op bevel van hogerhand (De Hoge Raad van Brabant) moesten op 28 juni 1751 ook de inwoners van Vaesrade als behorende tot de parochie van Nuth ter vergadering worden opgeroepen om te beslissen of zij hun aanspraken wilden verdedigen om samen met de bewoners van Nuth een koster-schoolmeester aan te stellen te Nuth. Deze vergadering schijnt tot resultaat te hebben gehad, dat alleen de bewoners van Nuth een Reglement hebben
opgesteld, bevattende 34 artikelen op het punt van school-, kerk- en armwezen.

De kapel met kluis van Vaesrade
Schijnbaar hadden de bewoners van Vaesrade destijds niet heel veel behoefte aan een schoolmeester te Nuth, tenzij de pastoor “die van Vaesrade” nodig had om de doorslag te geven bij de kosterbenoeming te Nuth. Zij beschikten immers vat 1714 tot 1853 over eerbiedwaardige kluizenaars of eremieten in de kluis naast het oude kapelletje waar thans de pastorie staat sinds 1857.
De kluizenaars moesten te Vaesrade school houden en catechismusles geven aan de jonkheid. Dit gebeurde wel niet altijd even stipt door de heren eremieten. Tijdens het voogdgeding (openbare rechtszitting) van 7 januari 1726 te Vaesrade werd de kluizenaar Willem Thielen door de gemeenteontvanger (borgemeester) van Vaesrade aangeklaagd, omdat hij reeds enige jaren tijdens de wintertijd had verzuimd school ,te geven tot groot nadeel van de dorpsjeugd, die zodoende te veel achter bleef in kennis. De schepenbank of rechtbank van Vaesrade riep de kluizenaar in de volgende vergadering ter verantwoording, maar deze kwam niet en verdedigde zich met een door hemzelf geschreven en ondertekende brief. Daarin klaagde hij, dat de schoolgelden niet betaald werden. De schepenbank nam daar geen genoegen mee en verplichtte hem op straffe van zes goud gulden om voortaan geregeld school te houden. Wat de betaling van de schoolgelden betrof stond het hem vrij zich hiervoor van tijd tot tijd te laten betalen.



© NuthvanToen / Hub Ritzen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen