foto, film en geschiedenis van Nuth vroeger

dinsdag 15 maart 2011

OPHEFFING EN INLIJVING VAN VAESRADE (1)

Deel 1.  Ontstaan en opheffing van de gemeente Vaesrade

Vaesrade, zelfstandige gemeente binnen het  kanton Oirsbeek
Op 1 oktober 1795 werd het land van Valkenburg als een deel van het departement van de Nedermaas bij de Franse republiek ingelijfd. De nieuwe staatkundige indeling in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten deed haar intrede. Zo kwam ook de oude heerlijkheid Vaesrade te vervallen en ontstond de gemeente Vaesrade, behorende tot het kanton Oirsbeek in het arrondissement Maastricht.
Vaesrade heeft zich niet lang gemeente mogen noemen. De kleine oppervlakte, het geringe aantal inwoners en de hoge lasten voor deze kleine dorpsgemeenschap maakten een zelfstandig voortbestaan onmogelijk.

Aanleiding tot de opheffing was de “demissie of bedanking” van de door Gedeputeerde Staten nieuw aangewezen gemeenteraadsleden. De heren L. Ackermans,  P. de Jong,  F. Creuwen,  A.J.P. Dormans en J. Debie hadden van de schout (maire) P.L. Ritzen bericht ontvangen dat Gedeputeerde Staten hen op 24 januari 1820 wederom benoemd had tot leden van de gemeenteraad. Zij schreven daarop op 1 maart 1820 aan de burgemeester:  “hoezeer wij over het vertrouwen in ons gesteld danckbaer zijn, bevinden wij ons genoedzackt onze demissie te geven en U edelachtbare te verzoeken dezelve te doen geworden daer en alwaer nodig”

Als reden voor hun demissie –welke zij bij de burgemeester zeer wel bekend veronderstelden- gave zij op: “daer geen van ons alle is in staet eenige functie te bekleeden, ter oorzaeke van onzen ouderdom ende onbekwaemheid”.

Burgemeester Ritzen ondertekende daarna een brief van 21 maart 1820 (opgesteld door zijn halfbroer Jean Antoine Philippe Ritzen, die voor de burgemeester de zaken waarnam) waarbij hij de voormelde demissie van de vier eerstgenoemde raadsleden toezond aan de Commissaris van het arrondissement Maastricht. Van het vijfde raadslid, de heer Jacob Debie, die de bijgevoegde demissie niet ondertekend had, schreef hij, dat dese uit de gemeente vertrokken is en thans in die van Wijnandsraede woont en daerboven een oud onbekwaem man is en dus demissionaris kan worden betragt”.

De briefsteller liet de burgemeester verder zeggen dat hem toescheen  “overeenkomstig te wesen met d’interesse der weinige inwoonders deser gemeente, die niets voordeliger is  voor de ingezetenen als dat Vaesrade verenigt wordt met Hoensbroek, om dat reeds een gedeelte van Vaesrade altijd onder de gemeente Hoensbroek gehoord heeft en nog daeronder gehoort en het dus zeer convenable zoude zijn dat het gehele dorp Vaesrade van een en het zelve bestuur dependeerde, en eindelijk omdat wij ’t naeste bij Hoensbroek gelegen zijn”.

Als zeer gegronde reden voor opheffing meende hij te mogen aanvoeren, dat deze gemeente slechts bestond uit “een en twintig huishoudens, waarvan de vijf demissionarissen de eenigste leden zijn, die een bestaan hebben, doch dat de reste al, zeer onkundige mensen, met hunnen handen moeten den kost gewinnen en het niet meer mogelijk is met schik andere leden (candidaten) voor te stellen”.
Toen de heren raadsleden op 29 september 1820 van de Commissaris bericht ontvingen, dat zij bij Gedeputeerde Staten aangeklaagd waren, dat zij eenparig geweigerd hadden een functie te bedienen, gaven zij dit toe, doch zij konden zich niet verenigen met de daarvoor opgegeven redenen en zeker niet met het voorstel om de gemeente Vaesrade bij Hoensbroek te voegen. Er was immers eenparig goedgevonden, dat de burgemeester zich met de gemeenteraad zou bedanken met verzoek aan Gedeputeerde Staten
om Vaesrade voortaan onder Nuth te doen “resulteren” Dit was ook het verlangen van de heren J. Creuwen, C. Mannens, J. Mannens en J. Schetgens, die tezamen met meergenoemde raadsleden hiervan op 15 oktober 1820 bericht zonden aan de heer Commissaris Kerens te Maastricht.

Waarom wilden zij Vaesrade met Nuth verenigd zien? Vaesrade maakte reeds kerkelijk deel uit van de parochie Nuth of, zoals zij het schreven, “omdat wij ook daer in het geestelijk bestiert worden”. Verder verwachten zij, dat zij door Nuth “het besten volgens regt en regtverdigheyd zullen bestiert worden”.
Niet de kwestie van “demissie” was de reden om opheffing voor te stellen. Deze lag volgens de gemeenteraad in de hoge lasten, die onbetaalbaar waren voor het gering aantal inwoners, “want den Last gaet het meublieer nog verre te boven, de menschen hebben het moeten betaelen- maar seer veel met weijnende oogen”.

Het dorp was verre van welvarend. Er was gesproken van 21 huizen. Neen, zeggen de heren raadsleden, met recht mag men wel zeggen dat het meer hutten dan huizen zijn.
Het meest verbaasd stonden zij over de mededeling, dat het hun verlangen was “om onder de gemeente van Honsbroek te sijn”.  Dit was hun allen zeer onbekend en dit moest bij de heer Commissaris zeker “quaedelijk aengedient” zijn. Zij hadden immers eenparig met de heer schout (burgemeester Ritzen) besloten en goedgevonden, dat hij de gemeente zou overgeven aan de heer schout van Nuth. Zij konden van deze valse berichtgeving niet de heer burgemeester verdenken, “om hij wort door een ander bedient”.
Hun brief van 15 oktober 1820 eindigde met het verzoek om, voor zover het mogelijk was, aan de wens en het verlangen van alle inwoners te voldoen, hun gemeente met die van Nuth te verenigen, “omdat wij daer onder staen met levende ende doode in het geestelijk”.
Zij hadden zich verder nog wel “grotelyks” te beklagen over al hetgeen de gemeente had te lijden in tijd van oorlog, “omdat sy soo  klien is maer het soude te lang wesen, maer soo is gene gemente".

De argumenten van de gemeenteraad wonnen het bij de Commissaris en deze nam ze over in zijn advies aan Gedeputeerde Staten op 9 december 1820, no. 369.A4. Vooraf had hij nog de gemeenteraad van Nuth gepolst.
Bij deliberatie van 2 december 1820 gaf ook deze vergadering haar toestemming tot bedoelde vereniging.

Volgens de Commissaris bestond tegen de voorgestelde vereniging geen bezwaar, omdat, wat het hoofdpunt betrof, beide gemeenten zonder schulden waren. Bovendien verdiende hier vooral de kerkelijke vereniging in aanmerking te worden genomen. Daarom luidde zijn advies te “bevorderen, dat de voorgestelde vereeniging der gemeente Vaesrade met die van Nuth zoude kunnen worden gesanctioneerd”.
Conform dit advies legden Gedeputeerde Staten bij missive van 15 december 1820 de vereniging van “la petite commune de Vaesrade avec la commune de Nuth”  voor aan de Minister van Binnenlandse Zaken en waterstaat te Brussel. Deze deed hiervan mededeling aan Zijne Majesteit Koning Willem I

Zijne Majesteit verlangde evenwel, dat deze zaak eerst in de aanstaande algemene vergadering van de provinciale staten ter beoordeling gebracht zou worden.
Gedeputeerde Staten ontvingen op 16 februari 1821 onder B 2422 no. Lit D/Bz,  het verzoek  van de Minister om overeenkomstig Zijner Majesteits verlangen te handelen en het resultaat daarvan mede te delen.

De 1e sektie van de Provincialestaten bracht een door 10 personen ondertekend rapport uit,  waarin tot uitdrukking kwam,  dat een vereniging van  de gemeente Vaesrade met de gemeente Nuth wenselijk was en dat geen enkel obstakel de voorgestelde vereniging in de weg stond.  Dit rapport van 4 juli 1821 werd nog dezelfde dag behandeld in de vergadering van Provinciale Staten.

Deze vergadering nam de volgende resolutie:
“De Staten der Provincie Limburg, Gezien de voordracht van Gedeputeerde Staten in dato 15 december 1820,  Lr R, aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat gedaan,
nopens de vereeniging der gemeente Vaesrade met die van Nuth;
En in aanmerking genomen de weinige hulpmiddelen en geringe bevolking der eerstgenoemde;

Overwegende dat dezelve, wat haer geestelijke betrekkingen aangaat reeds met de gemeente Nuth is vereenigd, en daarenboven de voorgestelde vereeniging niets in de weg staet, aangezien geen der beide gemeenten eenige schuld ter haren laste heeft;

Zij van gevoelens is dat gemelde vereeniging wenschelijk is en bekrachtigd zoude kunnen worden.

De Heer President wordt uitgenoodigd dit advies aan  Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat over te maken”

Op 14 juli bracht de President deze resolutie ter kennis van de minister met verzoek het daarin vervatte voorstel bij Zijne Majesteit gunstig te willen “appaijeren”.

Tenslotte vond de opheffingsprocedure haar einde in het Koninklijke besluit van 26 juli 1821.


zie ook: publicatie Land van Herle 1956, jaargang 6, nr 4. pag 78-81: "de opheffing van de gemeente Vaesrade"


© NuthvanToen / Hub Ritzen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen