foto, film en geschiedenis van Nuth vroeger

vrijdag 18 maart 2011

PAROCHIEKERK ST. BAVO (Deel 2)

Deel 2: de nieuwbouw 1763-1767

Pastoor Wolters werd opgevolgd door pastoor Habets.

Onder deze ijverige priester kwam met veel zorg en vlijt binnen enkele jaren een nieuwe kerk tot stand. Hij wist, dat er reeds een langdurig proces hangende was over de bekostiging van de nieuwbouw. Want in 1753 had de Souvereine Raad van Brabant te Brussel beslist, dat het kapittel van Aken, als de grote tiendeheffer, het schip en de toren van de kerk opnieuw moest herbouwen. De heren van Aken moesten een waardig Godshuis maken voor de parochianen. De toren moest zo hoog gemaakt worden, dat de klokken hoorbaar zouden zijn door heel de parochie. Het kapittel kwam in verzet en wilde alleen op de bestaande fundamenten de kerk herbouwen en van verhoging van de toren wilden de heren niets weten. Hieruit blijkt nu, dat de oude kerk van Nuth vóór 1763 klein van stuk was met een lage toren.
De nieuwe moest dus groter worden opgetrokken.

Onder zijn blinde voorganger, pastoor Wolters, waren de voorbereidingen op dood spoor gekomen, maar pastoor Habets wilde de kwestie niet langer laten slepen. Deze bouwpastoor liet er geen gras over groeien en hij heeft dan ook in zijn aantekeningen God lof gebracht, dat op 19 mei 1763 eindelijk een minnelijke schikking getroffen kon worden. “Den 19 mei werd het accoord tot hertimmering van onze nieuwe kerck gemaekt en opgesteld bij
notaris Allemand (notaris L'Allemand te Valkenburg) tussen den Seer Eerw. heer canonicus Corneli en den heer advocaat Thymus, geconstitueerden van het Capittel van O.L. Vrouwekerk tot Acken en mijn broeder Wynandus Habets, Joannes Frissen en Joannes Gorissen, geconstitueerden van dese gemeente. Tegenwoordig waren onsen gebiedenden Heer van Nuth Maximiliaan Henrick Theobald van Eynatten en de seer vermaerden en seer ervaeren advocaat Limpens van Aelbeeck, die het accoord opstelde”.
Dit accoord bevatte in het kort het volgende:
Op de plaats van de bestaande bouwvallige kerk zou het kapittel van Aken zo spoedig mogelijk een geheel nieuw schip of kerk optrekken, breed minstens 34 voet, lang 73 voet, de hoogte van de muren van het schip met pilaren ongeveer 36 voet ; het kapwerk zou in afmetingen daaran harmonisch moeten aanpassen; in de muren van het schip vier vensters, hoog 15 voet. Ook de toren zou door het kapittel gebouwd moeten worden, een vierkante toren van 17 voet, waarvan het opgaande muurwerk 8 à 9 voet hoger dan het spits van het kerkdak moest gaan; de galmgaten moesten voldoende hoog komen om de klank der klokken goed te kunnen uitdragen over de gemeente. De plaats van de toren werd aangewezen midden voor het schip aan de westzijde om een schoon geheel te verkrijgen, want vorm en structuur van het gebouw moesten een waardig Godshuis verzekeren.

Niet alleen de stichting, maar ook het verdere onderhoud van schip en toren zou ten laste van het kapittel blijven. Evenwel voor de spits van de toren, de klokken en de klokkenstoel moesten de gemeentenaren van Nuth zelf zorgen. De klokken, die reeds in 1734 geschonken waren, werden in de nieuw te bouwen koepelvormige toren overgebracht. Tijdens de duitse bezetting 1940-1945 zijn hiervan drie klokken ook in de smeltkroes van de vijand verdwenen.

Pattacon of Zilverdukaat
Terugkerend naar de aantekeningen van pastoor Habets, vermeldt het accoord dat de hand- en spandiensten, genaamd “carweijen”, door de Nuthenaren moesten gebeuren. Zij moesten hout, stenen, kalk, mergel, etc. aanvoeren voor de opbouw der kerk, maar zij kregen daarvoor vergoeding.
Voor een kar bespannen met drie paarden, vracht doende over een afstand van drie uur, was het vrachtloon een pattacon (fl. 5,-). Ter voorkoming van meningsverschil rekende men voor elke mergelblok van valkenburg 15 stuivers en 2 schillings per paard. Zelfs werd de vergoeding bepaald voor heel zware vrachten waaraan zes paarden te pas kwamen.  Natuurlijk werd in het accoord ook een bepaling opgenomen over de levering van het nodige bier bij de bouw. Voor de afbraak en de opruiming van de oude kerk moest het kapittel 6 tonnen bier verschaffen zodra de parochianen 10 voet opgeruimd
hadden. Kwam er tegenslag door oorlogsgeweld of bliksem aan de
nieuwbouw, dan zouden de Nuthenaren genoegen moeten nemen met een vertraagde uitbetaling van de vrachtlonen.
Op 19 september 1763 was pastoor Habets reeds aan de slag: Den 19 september heb ik op schriftelijk verzoek van het hoogwaardig kapittel van Aken de eerste “grondsteen” gelegd van de nieuwe kerk en de heer Nicolaas Lousbergh van Maastricht, aannemer van deze kostbare bouw, heeft dit jaar al de fundamenten gelegd voor de kerk als voor de toren. Uit het volgende blijkt, dat de fundamenten werden gelegd buiten de oude kerk, want in maart 1764 begon de heer Lousbergh de oude kerk en de toren eerst af te breken. Hij had met zoveel ijverige metselaars en zoveel timmerlieden - onder leiding van meester Simon Rousohop, timmerman te Wijnandsrade het werk weten te “avanceren”,  dat hij in dat jaar nog het dak op de kerk heeft gemaakt en de toren bijna zo hoog als het spits van het dak der kerk heeft opgetrokken.
Zoals reeds hier boven gezegd, kwam het koor voor rekening van de pastoor.
Pastoor Habets heeft het koor niet helemaal vernieuwd maar wel gerepareerd. In september 1764 had hij de muren en pilaren van het koor laten repareren. Daarbij had hij de zijmuren van het koor hoger opgetrokken, opdat het dak “meer schoots hadde”. Het dak van het koor liet hij helemaal vernieuwen en uitspringen over de boog van de gevel der oude kerk. Dit had hij gedaan, opdat het kapittel van Aken, noch hem noch zijn opvolgers “soude konnen in last trecken van dese oude boog te repareren of te herstellen”.
Dit alles had hij zelf bekostigd, Aken had geen oortje bijgedragen.
De koorvernieuwing was hem als jonge pastoor zeer zwaar gevallen. Ze was hem op f 600,- komen te staan. Hiertoe had hij zich verplicht gevoeld, omdat altoos vanaf onheugelijke tijden de reparatie van het koor tot last van de pastoor van de parochie was geweest. Dit kon niet anders, omdat hij, zich beroepende op deze onderhoudsplicht, zich hiermede verweerd had tegen het kapittel, dat hem wilde doen bijdragen in de kosten van de opbouw van de nieuwe kerk, naar rato van het tiendrecht, dat hij genoot.

Het werk van de nieuwbouw vorderde snel, zodat spoedig het kapwerk van de toren aan de beurt moest komen.

Intussen waren Bavo Meys, schout van Vaesrade en secretaris van Nuth, en Wynand Habets van Nuth, als afgevaardigden der gemeente Nuth en de kanunnik Corneli als gevolmachtigde van het kapittel van Aken, op bevel van hot Hof van Brabant naar Brussel getogen. Op 25 november 1764 is aldaar door het Hof “geagreëerd en geapprobeert” het accoord en het plan der kerk, dat door het kapittel tot zover was opgetrokken. Volgens die approbatie moest de gemeente alle vrachten en verzochte handdiensten doen en daarenboven de spil van de toren doen maken,
Daarna in januari 1765 hebben de vertegenwoordigers van de gemeente, Wynand Habets en Jan Gorissen, aan de heer Lousbergh, als laagste inschrijver, uitgegeven de bouw van de torenspits en wel voor f 1500,- zonder vrachten.

Bij de vaststelling van de hoofdelijke omslag der belastingen schijnt dit bedrag nogal hoog uitgevallen te zijn aan de belastingbetalers van Nuth, want de heer Wynand Habets meende, dat de inwoners van de heerlijkheid Vaesrade, behorende tot de parochie Nuth, ook moesten bijdragen.

Op 29 januari 1765 vroeg hij aan de gemeente-ontvanger (borgemeister) Dormans van Vaesrade of de inwoners van vaesrade wilden bijdragen aan de parochiekerk van nuth, ende dat hy sich daerover soude verklaeren bij neen ofte jae”. Matthys Dormans meende daarop geen positief antwoord te mogen geven, dan alvorens hij de bslissing van de inwoners zelf had vernomen. Hij riep de bewoners van Vaesrade in extra ordinaire vergadering bijeen. De mensen van Vaesrade, met het gemeentebestuur in vergadering bijeen, stelden zich op het standpunt, dat Vaesrade een geheel aparte heerlijkheid was, behorende aan het kapittel van St. Servaes te Maastricht, en die dus geenszins behoorde onder die van Nuth. Aldus was men van mening, dat de inwoners van Vaesrade niet zouden verplicht kunnen worden om bij te dragen aan de kerk van nuth uit hoofde van een accoord door de gevolmachtigden van Nuth privaatrechtelijk buiten medeweten van die van Vaesrade gemaaktmet de tiendheffers en naderhand door de inwoners van nuth buiten weten van vaesrade aangenomen. Zo iets kon niemand anders binden dan de contractanten zelf, dus niet de inwoners der afzonderlijke heerlijkheid Vaesrade. Dit gold ook voor de bijdrage in de nieuw te bouwen torenspits, omdat ook dit gemaakte vergelijk buiten medeweten van de inwoners van Vaesrade werd opgemaakt en overeengekomen. In die vergaderingvan 6 februari 1765 kwam men evenwel niet tot een positieve beslissing, doch men zou de kwestie voorleggen aan een of twee rechtsgeleerden.
Om over dit zware geval advies in te winnen, werd de schepen Thomas mannes en Johannes Creuwen als gecommitteerden aangewezen. Zij zouden daarvan rapport uitbrengen aan de verdere regenten van Vaesrade en in geval van verder proces de zaak verdedigen laten en voort zetten tot het einde toe.

De gemeentenaren van Nuth lieten zich door de starre houding van Vaesrade niet uit het veld slaan en zij begonnen alleen aan de torenspits te bouwen. In 1765 kwam de koepelvormige spits al klaar, evenals de twee deuren der kerk en de vensters aan de zuidzijde.

Het jaar daarop, in maart, begonnen enige Walen en daarna de Sichenaren, allemaal goede metselaars, met het stengewelf der kerk. Er werd hard gewerkt in die tijd, want nog voor Pinksteren had Merten Ophelders van Puth-Schinnen de kerk prachtig “gepleesterd” en voor het feest van St. Jan (24 juni) was de vloer van blauwe steen ook klaar. De koortrap uit de oude kerk werd opnieuw aangebracht in de nieuwe kerk. Pleisterwerk en vloer werden bekostigd “uyt het geld der schaele”

De preekstoel uit 1767
De ijverige pastoor Habets kreeg tenslotte ook nog een nieuwe preekstoel en een nieuw zijaltaar van O.L. Vrouw. Deze preekstoel, in de tegenwoordige kerk nog te zien, werd opgesteld op 5 augustus 1767. De kosten bedroegen, zonder vracht en kost der werklieden, 8 carolienen, waarvan er twee door de kerk werden betaald en de rest door het kapittel van Aken.
de kroning van Maria
"In november daerenvolgende is den autaer van O.L. Vrouw door Joannes Houben, uyt het Hellenbroeck, gemaeckt en opgericht geworden voor fl. 95,-- . Willem Schutgens gaf daarein de schildereye en Nicolaas á Campo zorgde voor de geschilderde kap en een geschilderd antependium".

Pastoor Habets is op 29 mei 1772 te Nuth overleden en aan de epistelkant in het koor van de kerk te Nuth begraven. Waar ligt diens graf in de tegenwoordige kerk?



© NuthvanToen / Hub Ritzen



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen