foto, film en geschiedenis van Nuth vroeger

woensdag 23 maart 2011

DE HEERIJKHEID NUTH (deel 2)


De Schepenbank en het schepengerecht

Een van de heerlijke rechten van de gebiedende Heer was het instellen van een schepenbank of schepengerecht. Dit schepengerecht bezat de hoge, middelbare en lage jurisdictie over Nuth. Zelfs de doodstraf kon uitgesproken worden zonder hoger beroep. De schepenbank bestond te Nuth doorgaans
uit zeven schepenen, die vonnisten, een schout of scholtis, die fungeerde als president van de rechtbank en die tevens als aanklager optrad. Verder was, zeer voornaam, de functie van secretaris van de schepenbank, belast met het schrijfwerk, het inschrijven van vonnissen, akten en stukken in de Rol- en Gichtregisters der schepenbank. Tenslotte waren er ook nog de gerechtsbode, de keurmeesters en de borgmeesters.

Geheel verschillend was dus in vroeger eeuwen de uitoefening van de jurisdictie met haar plaatselijke rechtbanken en plaatselijke functionarissen ten opzichte van onze tegenwoordige kantongerechten, arrondissementsrechtbanken en gerechtshoven, die een bepaald gedeelte van een provincie of zelfs grotere gebied bestrijken en waarvan de rechters handelen onafhankelijk van de wetgevende en uitvoerende macht.
Onder de hoge justitie verstond men het recht om te oordelen over de criminele zaken, dus ,het straffen van grove misdaden en grote misdrijven.
Hieraan ontleende Nuth ook het recht tot het hebben van een gevangenis, het oprichten van een galg, een kaak- of schandpaal en het inrichten van een folterkamer met strafwerktuigen.
De schepenbank van Nuth vergaderde op het kasteel van Reijmersbeek, waar ook de gevangenissen waren ingericht.  
publieke strafplaats
De galg stond op de driehoek te Kathagen waar de vroegere  Reijmersbekerweg en de Kamperweg uitmondden in de provinciale weg, waar thans (1959 red. NvT) de fabriekscomplexen staan van de AGA-fabrieken.
De middelbare justitie omvatte het recht om te oordelen over laat- en cijnsgoederen, het inboeken van overdrachten van onroerende goederen, het beslechten van geschillen over schuldvorderingen, erfenissen en legaten en het beoordelen van kleine delicten.

Tenslotte hield de lage justitie zich bezig met civiele en correctionele rechtspleging,betreffende het vervreemden van onroerende goederen, het vestigen van hypotheken, enz. Alle koopakten of testamenten, door notarissen of pastoors opgemaakt, moesten door de schepenbank bekrachtigd worden
door inschrijving in de gichtregisters. Hiermede was de akte dan officieel gerealiseerd of, zoals men dat noemde: “gegicht of gegooit".  Op de akte werd, dan de aantekening geplaatst ongeveer in deze zin: “Wij schout en schepenen der schepenbank van Nuth hebben dezelve hierin gegicht en gegooit naar der Banke recht”…… enz,
In criminele zaken stond geen hoger beroep open en lag dus het eindvonnis direct bij de schepenbank van Nuth; in civiele zaken kon men beroep aantekenen bij het leenhof van Valkenburg en “in appel”  of ter hofvaart gaan naar het Hof van Brabant te Brussel.

De verhoren der betrokkenen moesten geschieden ten overstaan van het gehele schepencollege of de meerderheid daarvan in rechtszitting bijeen.
Werd iemand, om hem met meer succes tot bekentenis te brengen, in de folterkamer gebracht (verhoor onder tortuur), dan moesten de schepenen daarbij tegenwoordig zijn. Het waren ook de schepenen, die het vonnis velden.  De schout was president en aanklager en vertegenwoordigde de gebiedende Heer. Zijn functie -enigszins officier van justitie en commissaris van politie tegelijk- bestond in het opsporen der overtredingen en het indienen van klachten bij de schepenbank. Zijn aanstelling gebeurde door de Heer van Nuth, die ook de overige bedienaars als schepenen, secretaris-griffier en gerechtsbode benoemde. De eerste schepenen, die te Nuth door de gebiedende Heer werden benoemd, op 16 januari 1627, waren Hendrik Simons en Jan Corten. De schout, schepenen en overige bedienaars werden
door de gebiedende Heer beëdigd. Hiermede wilde men bereiken, dat de schepenen de rechtspraak in al haar vormen naar eer- en geweten zouden uitoefenen met toepassing van de daarvoor geldende geschreven en ongeschreven rechtsregelen.  
De laagste ambtenaar bij de rechtbank was 'de gerechtsbode’. Hij verzorgde de aanplakking der diverse stukken “ad valvas” (gewoonlijk op de deur van de kerk of tegen de ingang van het schoolhuis te Nuth op het kerkhof). Decreten en dagvaardingen van de schepenen moest hij ter kennis brengen van partijen.  
Bij het opsporen en gevangen zetten van misdadigers moet hij behulpzaam zijn.  Bij “zware” gevallen stonden hem hierbij de “schutters” ter zijde. Dit was soms wel nodig, want  de gevangenis in Reijmersbeek lag ver verwijderd van de kom van Nuth en het transport moest meestal te voet gebeuren langs deze eenzame landweg.

Bij de uitoefening van zijn functie tijdens de zittingen van de schepenbank hanteerde de schout als teken van  zijn gezag en waardigheid een z.g. roede der justitie. In Nuth was dit een rood geverfde stok uit een doornenhaag, ter dikte van ongeveer een vinger. Deze “wiets” die ongeveer 1.50 mtr. Lang was, had een kroontje van vier vergulde eikels. Deze roede zou nog bewaard worden op het rijksarchief te Maastricht.

Hadden de schepenen eenmaal het bevel of het decreet tot het verschijnen “in loco apprehensionis” (in de gevangenis) uitgevaardigd, dan moest de betrokken misdadiger in de gevangenis te Reijmersbeek gestopt worden. In zijn bijdrage tot de “Voormalige Heerlijkheid Nuth” verhaalt de oud-rijksarchivaris
Habets een geval waaruit blijkt, dat de gevangenis niet altijd potdicht bleek te zijn. Dit bewijs put hij uit een schepenakte van 1781.

De gerechtsbode had de struikrover en dief Awou (Karel Joseph Gestener) weten te vatten.  De schepenen gelastten hem gevangen te zetten op kasteel Reijmersbeek. Maar op 29 juni 1781 was de vogel weer gevlogen. De schepenbank stelde een commissie in van drie leden die de gevangenissen op het kasteel gerechtelijk ging onderzoeken. Deze commissie bracht rapport uit van haar bevindingen. Om te komen in het ‘prison’ of gevangenis moest men in de toren van het kasteel 40 trappen op. Daar was een kamer onder het dak waarvan de deur open stond. Dit was de kamer van de wacht. Vanuit deze kamer kwam men in een andere kamer waarvan de deur ook open stond en dat was de eigenlijke gevangenis waarin de gedetineerde in hechtenis had gezeten. De commissie  constateerde: “dat den criminelyck beklaegden uyt het prison geëvadeert was ende de cluysters van de handen aldaer
neffens den block waeraen hy gehecht was” alsnog gesloten waren. De boosdoener had dus ofwel de kluisters over zijn handen afgestroopt ofwel deze na zijn bevrijding wederom toegesloten.  De boeien die om zijn voeten hadden gezeten lagen ook geopend naast de blok waaraan ze met een ketting verbonden waren. De gevangene was dus volgens de commissie vanuit het gevangenhok door de wachtkamer de 40 trappen afgelopen de vrijheid tegemoet.  Daarbij had hij nog kans gezien om het pistool van de wachtcommandant Bartel Drummen mee te nemen, hetgeen door de andere wachters naderhand aan de commissie werd medegedeel.  De commissie kwam na dit onderzoek tot de volgende zeer “scherpzinnige” en logische conclusie:
“De apparentelycke oorzaeck dezer ontvluchtinge zal alzoo geweest syn het feit, dat de wacht niet by den gedetineerden is gebleven, dat zy de deuren open en hem alleen gelaeten hebben”.

Ook weet Habets nog  bijzonderheden te vertellen over het laatste criminele vonnis door de schepenen van Nuth geveld en ten uitvoer gelegd op het eind van 1793 te Kathagen.  Dit was een geseling en de veroordeelde was een zekere Joannes Meulekens, die veroordeeld werd wegens moord en diefstal. Volgens het vonnis zou hij tot afschrikwekkend voorbeeld voor anderen op een publieke plaats (bij de galg te Kathagen) gevoerd worden om aldaar gegeseld te worden met tien  roeden en wel zes slagen met elke roede, in totaal zestig geselslagen! Maar het ergste was nog dat hij gebrandmerkt zou worden voor zijn misdaden, zodat iedereen hem zou herkennen als een boosdoener. Tenslotte zou hij daarna verbannen worden buiten het rechtsgebied van Nuth voor heel zijn leven. Mocht hij het ooit wagen terug te komen, dan zou hij met de dood gestraft worden. Zijn goederen werden geconfisqueerd.
Op 12 december 1793, te 10.00 uur in de voormiddag werd hem het vonnis op de trappen van het kasteel te Reijmersbeek voorgelezen en daarna nog eens te ongeveer 11.00 uur op de gewone strafplaats te Kathagen in tegenwoordigheid van de schout, schepenen en een menigte volk.
Daarna belastte de beul of scherprechter Nicolaas Hamel van Aken zich met de letterlijke en nauwgezette uitvoering van de geseling en de brandmerking.
Gedurende deze huiveringwekkende taferelen had zich Meulekens' vrouw, Maria Tummers, achter de heg van de vlak bij gelegen boomgaard schuilgehouden.
Terstond na afloop van het beulswerk kwam zij te voorschijn en gaf haar man een hartversterking, bestaande uit een fles jenever en een krentenbroodje.

Dit was het laatste vonnis van de schepenen der heerlijkheid Nuth. Kort daarop in 1794 verschenen de Fransen in deze streken en de heerlijkheid Nuth met schepenbank had opgehouden te bestaan. Het administratief bestuur veranderde volkomen en de rechterlijke macht kwam in handen van afzonderlijke rechters. verder kwam de indeling in gemeenten, kantons en arrondissementen. De dan gevormde gemeente Nuth kwam te behoren tot het kanton Oirsbeek in het arrondissement Maastricht.
Vóór 1795 was dat heel anders geweest tijdens de heerlijkheid Nuth. Men kende geen door de inwoners gekozen gemeenteraden. Enigszins hiermede te vergelijken waren wel  de z.g. “gemene vergaderingen”  Daarop verschenen de gebiedende Heer van Nuth, de Schout en Schepenen en de gemeen geërfden (dat waren alle grondeigenaren, die minstens drie bunder eigendom bezaten). Na behoorlijke convocatie bij “kerkeroep” en aanplakking werden deze vergaderingen belegd ter behandeling van financiële zaken. Aanslagen van belastingen, heffingen en schattingen werden vastgesteld en andere beden en lasten besproken en geregeld; verder kwamen aan de orde kwesties over het onderwijs en het armwezen en eventuele reglementen werden gewijzigd of vastgesteld.


Bij dit administratief bestuur van vóór 1795 mogen ook de “borgemeesters” niet vergeten worden. Hieronder werd niet verstaan het ambt van de tegenwoordige burgemeesters, maar meer de functie van de gemeenteontvanger. De borgemeesters zorgden voor de inning van de belastingen en andere inkomsten van de gemeente om daarmede de uitgaven der gemeente te kunnen dekken. Verder hielden zij toezicht, dat zij, die wegens de uitoefening van een functie daarvoor gelden ontvingen uit de kas der gemeente of van de gezamenlijke gemeentenaren, deze taak ook behoorlijk vervulden, want anders brachten zij dit ter sprake op de “gemene vergadering”


© NuthvanToen / Hub Ritzen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen